Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 344, tweede lid, Sv, aangezien de bewezenverklaring slechts berust op de verklaringen van twee verbalisanten die nauw en persoonlijk betrokken waren bij het feit.
NJ2004/452, m.nt. Knigge overweegt de Hoge Raad eveneens in deze lijn dat uit art. 344, tweede lid, Sv volgt dat de wetgever een bijzonder vertrouwen heeft gesteld in de betrouwbaarheid van een door een opsporingsambtenaar opgesteld proces-verbaal in de zin van art. 344, eerste lid, onder 2, Sv.
NJ1935, p. 373 overwogen dat art. 344, tweede lid, Sv geen uitzondering maakt voor feiten die tegen de verbalisant zijn begaan. Een tweede benadering, die spreekt uit de hiervoor besproken uitspraken van feitenrechters, houdt in dat de bijzondere bewijskracht van art. 344, tweede lid, Sv alleen geldt als de opsporingsambtenaar niet als slachtoffer dan wel als benadeelde partij is aan te merken. Een derde benadering houdt het midden tussen beide: art. 344, tweede lid, Sv geldt voor alle gevallen waarin opsporingsambtenaren in de wettelijke vorm proces-verbaal opmaken van wat zij hebben waargenomen of ondervonden, maar op de rechter rust wel een bijzondere motiveringsplicht in geval het bewijs uitsluitend wordt gebaseerd op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar tegen wie het feit zou zijn gepleegd. In de literatuur zijn stemmen opgegaan voor een vierde, verderstrekkende benadering, te weten de afschaffing van art. 344, tweede lid, Sv. De uitzonderingspositie die de wetgever voor het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal heeft geschapen, zou volgens de auteurs goede grond missen. [29] Deze benadering laat ik hier rusten. Het is aan de wetgever voorbehouden te beoordelen of art. 344, tweede lid, Sv nog bestaansrecht heeft.
NJ1935, p. 373 is verwoord. De tekst van de wet maakt geen onderscheid tussen de bewijskracht van processen-verbaal van een opsporingsambtenaar tegen wie het feit zou zijn begaan aan de ene kant en die van andere opsporingsambtenaren aan de andere kant. De wetsgeschiedenis biedt ook geen steun voor het maken van onderscheid tussen beide situaties. [30] De wetgever heeft het risico onder ogen gezien dat processen-verbaal van de politie niet in alle gevallen een adequate weergave geven van hetgeen heeft plaatsgevonden, maar daarin geen grond gezien processen-verbaal van opsporingsambtenaren bijzondere bewijskracht te ontzeggen. Het genoemde risico zou in de praktijk moeten worden ondervangen in het kader van de selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter, die moet beoordelen of hij uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. In dat verband is ook gewezen op de mogelijkheid de verbalisant als getuige te doen horen. [31] Bij een beoordeling van een dergelijk getuigenverzoek ligt het gelet op het voorafgaande niet in de rede de verdediging de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal in de zin van art. 344, tweede lid, Sv tegen te werpen. [32] De aanvaardbaarheid van die bijzondere bewijskracht is door de wetgever immers mede in verband gebracht met de mogelijkheid van een kritische toetsing van het bewijsmiddel door de rechter, in welk verband ook het horen van de verbalisant als getuige betekenis kan hebben.
tweede middelis gericht tegen het oordeel van het hof dat de verklaringen van de verbalisanten bruikbaar zijn voor het bewijs. Volgens de steller van het middel bevatten die verklaringen tegenstrijdigheden en zijn zij gekleurd, waardoor het hof niet had kunnen komen tot een bewezenverklaring.
derde middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan. Het middel faalt op grond van hetgeen bij de bespreking van het eerste middel is opgemerkt.
vierde middelis gericht tegen de verwerping van een verweer van de verdediging, inhoudende dat de verbalisanten in de onderhavige zaak niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
vijfde middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.