Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
[G]) op. [B] verkrijgt 7.498 aandelen, de twee directeuren van [H] ieder één aandeel. [B] wordt voorzitter van het bestuur. In juli 2005 komen belanghebbende – die geen aandelen in [G] houdt – en [G] overeen dat belanghebbende tegen vergoeding van een bijdrage van CHF 250.000 [8] een controlerecht in [G] verkrijgt, alsmede een recht op een financiële vergoeding, bestaande uit een rente en 25% van de winst van [G] na belastingen. Op 28 mei 2007 wordt [G] ontbonden.
[K]) op. [K] is gevestigd in [T] (Uruguay). [K] houdt een bankrekening aan bij dezelfde bank als die waar [D] , [F] en [G] een bankrekening aanhouden.
€ 1,353 CFR→ → → [G]
€ 3,45 CFR→ → → [K]
€ 3,48 CFR→ → → [F]
€ 4,55 DDP→ → → [G]
€ 2,61 Franco Duitsland→ → → [D]
€ 3,12 Franco Huis→ → → Afnemer
binnen 14 dagen(
uiterlijk 7 mei 2010) na dagtekening van deze brief, uw standpunt kenbaar te maken over deze voorgenomen navordering en de wijze waarop de verschuldigde bedragen door mij zijn vastgesteld. Na het verstrijken van deze termijn zal in beginsel een uitnodiging tot betaling aan u worden uitgereikt voor het bovenvermelde bedrag, tenzij uw reactie mij aanleiding geeft om van dit voornemen af te zien dan wel de verschuldigde bedragen anders te berekenen.”
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Geding in cassatie
eerste middelkomt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat de transacties tussen [G] , [K] en [F] niet kwalificeren als ‘normale handelstransacties’.
tweede middelbestrijdt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten de oordelen van het Hof dat sprake is van misbruik van recht, dat geen beroep op het gemeenschapsrecht kan worden gedaan en dat een aantal transacties moet worden ‘weggedacht’ terwijl het Hof heeft vastgesteld dat geen sprake is van schijnhandelingen.
derde middelziet op het oordeel van het Hof dat de cif-invoerprijs de verplichte grondslag vormt voor de berekening van de aanvullende rechten.
vierde middelbetoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte het gebruik van de Inspecteur van de door de Zwitserse strafrechtelijke autoriteiten in beslag genomen documenten toelaatbaar heeft geacht.
vijfdemiddel heeft betrekking op het schuldenaarschap van belanghebbende. Het Hof heeft belanghebbende, zo betoogt hij, ten onrechte als schuldenaar aangemerkt zonder te oordelen of belanghebbende wist of behoorde te weten dat de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens verkeerd waren.
zesde middelvoert belanghebbende aan dat het Hof hem ten onrechte als schuldenaar heeft aangemerkt. Het Hof heeft zijns inziens ten onrechte geoordeeld dat het feit dat pas vanaf 1 augustus 2008 artikel 7:4 van Pro de Algemene douanewet in werking is getreden, in dezen zonder betekenis is, althans volgens het Hof slechts als verduidelijking wordt aangemerkt.
zevende middelheeft betrekking op het beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. In dit middel komt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat het verdedigingsbeginsel weliswaar is geschonden, maar dat daaraan geen verdere gevolgen (behoeven te) worden verbonden omdat belanghebbende niet wezenlijk in zijn verdedigingsbelangen zou zijn geschaad.
achtste middelkomt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat de verlengde navorderingstermijn van vijf jaren van toepassing is. Het Hof acht het volgens hem ten onrechte aannemelijk dat belanghebbende het oogmerk had om rechten bij invoer te ontduiken, zonder aandacht te besteden aan het verweer dat belanghebbende mocht vertrouwen op de advisering door een zeer gerenommeerd gespecialiseerd advieskantoor.
negende middelvoert belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat navordering door middel van een utb als bedoeld in artikel 221 van Pro het CDW mogelijk is.
tiende middelbetoogt belanghebbende dat het vrijgeven van de zekerheden een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW is, waardoor navordering niet mogelijk is.
elfde middelvoert belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de douaneschuld gelijktijdig meerdere utb’s kunnen bestaan. Het Hof heeft zijns inziens miskend dat ter zake van één invoer slechts sprake kan zijn van één ondeelbare douaneschuld. In de ogen van belanghebbende hadden de eerste drie utb’s moeten worden ingetrokken alvorens de Inspecteur de laatste drie utb’s had kunnen uitreiken.
twaalfde middelop tegen het oordeel van het Hof dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
5.Een opmerking vooraf
6.Landbouwbeleid (middelen III en IX)
cif-invoerprijsaangeduide prijs. Blijkens artikel 2, lid 1, tweede gedachtestreepje, van de Uitvoeringsverordening:
representatieve prijsvan de betrokken goederen (zie punt 6.1.11 hierna).
reactieprijs’. Dat is de prijs beneden welke een aanvullend recht kan worden geheven – zeg maar: de minimumprijs waarvoor (en waarboven) zonder aanvullend recht kan worden geïmporteerd. Dit laatste valt af te leiden uit artikel 1, tweede alinea, van de Uitvoeringsverordening, gelezen in verbinding met artikel 5, lid 2, van de Basisverordening.
cif-invoerprijsvan een bepaalde partij
lageris dan de geldende
reactieprijs,er een aanvullend recht wordt geheven, dat hoger is naarmate de cif-invoerprijs lager is. Verwezen zij naar artikel 4 van Pro de Uitvoeringsverordening. [34] Zie ik het goed, dan speelt de representatieve prijs van de betrokken goederen hierbij geen rol.
cif-invoerprijs hogeris dan de
representatieve prijs. In dat geval dient de importeur bewijzen over te leggen. Artikel 3, lid 2, van de Uitvoeringsverordening bepaalt dienaangaande:
7.Aanvullend recht en misbruik van recht (middelen I en II)
reactieprijsvan de onderhavige zendingen [38] kippenvlees op € 3,335 per kilo lag. De
representatieve prijsvan het kippenvlees is voor de diverse zendingen niet gegeven, doch deze lag blijkens het controlerapport, ‘nog veel lager’ dan de reactieprijs. Bij de aangiften is, naar eveneens vaststaat, niet de cif-invoerprijs gehanteerd, maar is uitgegaan van de factuur van [K] aan [F] .
gemeenschapsverordeningen niet zo ruim mogen worden toegepast, dat zij misbruiken (…) zouden dekken(…). Het Hof heeft ook geoordeeld, dat het feit dat invoer en uitvoer niet in het kader van normale handelstransacties hebben plaatsgevonden, maar uitsluitend met het doel de regeling te misbruiken om monetair compenserende bedragen te krijgen, zich tegen toepassing van positieve monetaire compenserende bedragen verzet (…).
subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door de gemeenschapsregeling toegekend voordeel te verkrijgen door
kunstmatig de voorwaardente creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Het bewijs van dit subjectief element kan met name worden geleverd door aan te tonen dat de exporteur in de Gemeenschap, die de restituties ontvangt, en de importeur van de goederen in het derde land, daarbij hebben samengewerkt.
wezenlijke doel [44] van de betrokken handelingen erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.”
a-typisch is voor het ‘normale’ handelsverkeer, of – zoals het HvJ het uitdrukt in punt 21 van zijn arrest van 3 maart 1992, General Milk Products, C-8/92, ECLI:EU:C:1993:82 (over monetair compenserende bedragen op landbouwgoederen): indien een transactie niet plaatsvindt in het kader van een normale handelstransactie. [45]
hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan. In dit verband is niet van belang dat deze onderneming in de context van haar normale handelstransacties geen leaseactiviteiten uitoefent.”
8.Overeenkomst samenwerking Duitsland – Zwitserland (middel IV)
van de aanwezigheid van goederen die niet de status van communautaire goederen hebben, aan elkaar,
de douaneautoriteiten van de lidstatenen de Commissie doorgeven indien dit vereist is om de risico's te minimaliseren.”
9.Schuldenaarschap (middelen V en VI)
voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen
eveneens als schuldenaarworden beschouwd.”
gegevensdie er toe leiden dat de verschuldigde rechten bij invoer
gedeeltelijk niet worden geheven, is de
persoon die de voor de opstelling van die aangifte benodigde gegevens heeft verstrektterwijl hij
wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren,
eveneens schuldenaarvoor de verschuldigde rechten bij invoer.”
Schending van het verdedigingsbeginsel (middel VII)
11.De (verlengde) mededelingstermijn (middel VIII)
handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, mag de mededeling van de wettelijk verschuldigde bedragen, overeenkomstig de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden, nog na het verstrijken van de in lid 3 bedoelde termijn aan de schuldenaar worden gedaan.”
ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen. De (huidige) tekst van het vierde lid van artikel 221 van Pro het CDW suggereert dat de
douaneschuld moet zijn ontstaan ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling.
ontstaatdie douaneschuld niet ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling, hooguit heeft de te lage aangifte tot gevolg dat een deel van de douaneschuld ten onrechte niet wordt onderkend.
Konnten die Zollbehörden jedoch aufgrund einer strafbaren Handlung den gesetzlich geschuldeten Abgabenbetrag nicht genau ermitteln, so kann die Mitteilung noch nach Ablauf der genannten Dreijahresfrist erfolgen, sofern dies nach geltendem Recht vorgesehen ist.
Ist die Zollschuld aufgrund einer Handlung entstanden, die zu dem Zeitpunkt, als sie begangen wurde, strafbar war, so kann die Mitteilung unter den Voraussetzungen, die im geltenden Recht festgelegt sind, noch nach Ablauf der Dreijahresfrist nach Absatz 3 erfolgen.
, where it is as a result of an act that could give rise to criminal court proceedings that the customs authorities were unable to determine the exact amount legally due, such communication may, in so far as the provisions in force so allow, be made after the expiry of such three-year period.
Where the customs debt is the result of an act which, at the time it was committed, was liable to give rise to criminal court proceedings, the amount may, under the conditions set out in the provisions in force, be communicated to the debtor after the expiry of the three-year period referred to in paragraph 3.
lorsque c'est par suite d'un acte passible de poursuites judiciaires représsives, que les autorités douanières n'ont pas été en mesure de déterminer le montant exact des droits légalement dus, ladite communication est, dans la mesure prévue par les dispositions en vigueur, effectuée après l'expiration dudit délai de trois ans.
Lorsque la dette douanière résulte d'un acte qui était, au moment où il a été commis, passible de poursuites judiciaires répressives, la communication au débiteur peut, dans les conditions prévues par les dispositions en vigueur, être effectuée après l'expiration du délai de trois ans prévu au paragraphe 3.
“de bevoegde autoriteitenconstateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen”.
de formulering van deze bepaling blijkt duidelijkdat
de autoriteiten die bevoegd zijnom een handeling te kwalificeren als “strafrechtelijk vervolgbare handeling”,
dezelfde zijn als de autoriteitendie ten gevolge van een dergelijke handeling
de verschuldigde douanerechten niet hebben kunnen heffenen
deze derhalve willen navorderen. Zoals met name blijkt uit artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79 [65] , is het ondubbelzinnig de taak van de douaneautoriteiten van de lidstaten om het bedrag van deze rechten te bepalen en een navorderingsprocedure in te leiden (…).
veroordelingof zelfs maar van de inleiding van een strafvervolging, maar
ondubbelzinnigvan
het begaan van een handeling die gewoonweg strafrechtelijk vervolgbaar is. (…)
is gericht op ontduiking van rechtenbij invoer; een voorwaarde die niet in artikel 221, lid 4, van het CDW is opgenomen. Het lijkt mij dat de nationale wetgever deze eis mag stellen, nu deze uitwerking niet verder, maar juist minder ver gaat dan artikel 221, lid 4, van het CDW, toestaat (vgl. punt 11.5.2).
12.Vergissing – artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW (middel X)
actieve gedraging, (…) van de tot navordering
bevoegde autoriteiten, (…).
Uitgeslotenzijn derhalve de vergissingen die zijn veroorzaakt door
onjuiste verklaringen van de belastingschuldige, behoudens de gevallen waarin de onjuistheid van die verklaringen slechts het gevolg zou zijn van door de bevoegde autoriteiten verstrekte onjuiste gegevens waaraan die autoriteiten gebonden zijn.”
13.Aanvullende uitnodigingen tot betaling (middel XI)
door het toezenden van een op een aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling’.
C-351/11, ECLI:EU:C:2012:699, punt 28. Daarin overweegt het HvJ dat wanneer het geboekte bedrag onjuist is, ook het medegedeelde bedrag niet klopt, maar dat de douane de boeking kan rectificeren en een nieuwe mededeling kan toesturen. Ik lees dit aldus dat in gevallen waarin méér rechten verschuldigd blijken te zijn, een aanvullende mededeling kan worden gedaan (een mededeling van het meerverschuldigde).