Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
floatingaandelen in de beursvennootschap. Een deel van de
public floatis voorts rechtstreeks door de belanghebbende gekocht. De keuze om de belanghebbende houdster van de biedingsvennootschap te maken, en niet een andere houdster binnen het concern, is louter ingegeven door fiscale motieven.
Treasurywerd in Zweden in 2004 fiscaal behandeld als resultaat van de Zweedse topholding. In 2004 beschikten
Treasurynoch topholding over eigen compensabele verliezen, maar via het Zweedse systeem van ‘concernbijdragen’ (winstoverdracht; de inverse van de Britse verliesoverdracht) kon de topholding haar fiscale winst overdragen aan Zweedse groepsvennootschappen, die die winsten konden verrekenen met hun aanzienlijke verliezen en bronheffingen. Het tarief van de vennootschapsbelasting waaraan de topholding in Zweden was onderworpen bedroeg 28%. In 2004 heeft de Zweedse topholding geen vennootschapsbelasting betaald.
door de belanghebbendete laten verrichten. Het Hof achtte het evenmin zakelijk om de biedingsvennootschap volledig te financieren met eigen vermogen. Ten overvloede oordeelde hij dat aan de lening evenmin overwegend zakelijke redenen ten grondslag lagen, waarbij hij opnieuw niet zakelijk achtte dat de rechtshandeling en de financiering
door de belanghebbendewaren verricht.
corporation taxheeft betaald. Het Hof heeft de compenserende-heffingstoets echter uitgevoerd bij de Zweedse topholding omdat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat ‘degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd’ de crediteur in civielrechtelijke zin is, tenzij die de verplichting heeft de rente door te stoten naar een achterliggend lichaam. Volgens het Hof is
Treasuryde civielrechtelijke crediteur, maar de Zweedse topholding de economische crediteur. Het Hof achtte niet aannemelijk dat de Zweedse topholding verplicht was de ontvangen rente door te stoten naar achterliggende lichamen. Dat de uitlening aan de belanghebbende door de Zweedse topholding is gefinancierd met een inlening doet daaraan niet af. Aan de compenserende-heffingstoets is volgens het Hof niet voldaan omdat de Zweedse topholding met het mechanisme van
group contributionsde belastingposities van het Zweedse deel van het concern, inclusief die van haarzelf, optimaliseerde door winstoverdracht aan andere groepsmaatschappijen die haar winst konden afzetten tegen (nog te verrekenen) verliezen, of (nog te verrekenen gestalde) buitenlandse bronbelasting.
Treasurybeoordeeld, maar ook het motief om beide transacties door de belanghebbende te doen uitvoeren van belang geacht. Dat is geen dubbele, maar een drievoudige zakelijkheidstoets die niet op art. 10a Wet Vpb gebaseerd kan worden. Een belastingplichtige is vrij in de keuzen in welk land en welke juridische entiteit een activiteit of transactie wordt ondergebracht (HR BNB 1994/253, HR BNB 2006/114 en HR BNB 2010/93).
Treasury)
verplichtis te door betalen aan een andere rechtspersoon.
nietbij de belanghebbende doen berusten. Zij streefden immers juist naar een belangwijziging om de werking van art. 10a Wet Vpb te ontwijken. Mijns inziens haalt het Hof het (initiële) belang
bij de vennootschapen het belang
bij het agiodoor elkaar. Het is inderdaad kennelijk nooit de bedoeling geweest dat de advocaat aanspraak
op de stortingzou kunnen maken, maar dat zegt niets over het belang bij de
vennootschapvóór die storting. Dit leidt echter niet tot cassatie omdat de vastgestelde feiten mijns inziens geen andere conclusie toelaten dan dat de belanghebbende – door optieverlening aan haar op dezelfde dag – (vlak) vóór de kapitaalstorting al het volle belang in de biedingsvennootschap hield, zodat zich ten tijde van de kapitaalstorting geen wijziging van het uiteindelijk belang meer voordeed. Middel (i) faalt daarom naar mijn mening.
nietde deelnemingsvrijstelling en renteaftrek zouden hebben geproduceerd. Uit uw rechtspraak volgt dat het een belastingplichtige vrij staat om activiteiten buiten de Nederlandse heffingsjurisdictie te brengen; daaruit kan afgeleid worden dat het haar ook vrij staat om activiteiten binnen de Nederlandse heffingsjurisdictie te brengen, zoals in casu de aankoopfinanciering en het houdsterschap van de Italiaanse beursvennootschap. Daarmee is niet gezegd dat art. 10a Wet Vpb die vrijheid niet beperkt, maar uit de tekst en de wetsgeschiedenis van die bepaling volgt niet dat het (fiscale) motief om een bepaalde belastingplichtige (de belanghebbende) in te schakelen bij de rechtshandeling en de lening van belang is voor de toets of die rechtshandeling en die lening zakelijk zijn als de rechtshandeling zakelijk is en de lening niet omgeleid. ‘s Hofs oordeel dat het niet zakelijk is om de biedingsvennootschap vanuit de belanghebbende volledig te financieren met eigen in plaats van vreemd vermogen lijkt mij in strijd met uw leer dat een belastingplichtige vrij is in de keuze van financiering van haar deelnemingen (HR V-N 2015/27.16). [2] Ik zie niet in waarom die leer niet zou gelden bij de beoordeling of de besmette rechtshandeling (in casu een kapitaalstorting waar ook een lening had kunnen worden verstrekt) zakelijk is. Ook ’s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de lening overwegend zakelijk is nu belanghebbendes optreden fiscaal gemotiveerd is, is mijns inziens gebaseerd op een verkeerde maatstaf. Het derde middel wordt daarom mijns inziens terecht voorgesteld, waardoor verwezen moet worden om de zakelijkheidstoets opnieuw uit te voeren.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Treasury [3] die voor rekening en risico van de Zweedse topholding opereert. De voornaamste taken van
Treasurywaren financiering van groepsmaatschappijen en afnemers, aantrekken van externe financieringen voor het concern, liquiditeitsbeheer en beheersing, verzekering en afdekking van zakelijke en financiële risico’s.
Treasuryhad daartoe enige tientallen personeelsleden onder leiding van de
treasurervan het concern, die verantwoording aflegde aan de
CFOvan het concern. Het resultaat van
Treasurywerd in Zweden fiscaal behandeld als het resultaat van de Zweedse topholding.
Treasurybeschikte in 2004 over een verhoudingsgewijs gering eigen vermogen van 0,0002% van het balanstotaal van SEK 133 miljard.
Treasury‘verbonden’ in de zin van art. 10a(4) Wet Vpb.
Treasurynoch de Zweedse topholding over compensabele verliezen, maar er waren wel andere Zweedse groepsvennootschappen met aanzienlijke te verrekenen verliezen en bronheffingen. Via het Zweedse systeem van zogenoemde ‘concernbijdragen’ kon de Zweedse topholding fiscale winsten overhevelen naar andere Zweedse groepsvennootschappen, die daarmee hun verliezen en bronheffingen konden verrekenen. De Zweedse topholding was in Zweden onderworpen aan de vennootschapsbelasting naar een tarief ad 28%. In 2004 heeft zij geen Zweedse vennootschapsbelasting betaald.
floatingaandelen te verwerven was € 237.312.000 nodig. Het persbericht vermeldde onder meer:
Commissione Nazionale per le Società e la Borsa(CONSOB) vermeldde onder meer:
…) dat deze “advance payment” uitsluitend voor deze reden bedoeld is. Deze actie an sich maakt m.i. onze positie niet sterker als het gaat over de discussie of [X] nu geparticipeerd heeft in een door een derde gehouden vennootschap cq dat [X] vanaf het eerste moment de volledige “control en zeggenschap” over [G] S.p.A. heeft gehad.
4 meiplaatsgevonden, terwijl [X] de “subscription for new shares in [G] SpA” heeft verricht op
3 mei.
…) in our books. To reduce the risk of a discussion with the Dutch Revenue, we have a strong preference to sell the shares in said company or liquidate it.
bridge loan facilityad € 237.302.000 verkregen van
Treasury. De leenovereenkomst vermeldt onder meer:
bridge loan facilityis op 2 juni 2004 omgezet in een
credit facility agreement.
credit facility agreementmet
Treasury(lening 2).
floatingaandelen in de Italiaanse beursvennootschap hebben de belanghebbende en de biedingsvennootschap tezamen dus € 237.598.636 betaald. Na beursexit had de Italiaanse ex-beursvennootschap drie aandeelhouders: de belanghebbende, de biedingsvennootschap en de Zweedse topholding. Op 22 december 2005 heeft de belanghebbende haar aandelen in de ex-beursvennootschap ingebracht in de biedingsvennootschap als storting van kapitaal. Eind 2005 heeft de Zweedse topholding haar aandelen in de Italiaanse ex-beursvennootschap tegen schuldigerkenning van € 350.000.000 overgedragen aan de biedingsvennootschap. [6] Nadien is de biedingsvennootschap omgezet in [BB] Srl en juridisch gefuseerd met de Italiaanse ex-beursvennootschap.
Cadbury Schweppes [9] van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) liet de Rechtbank in het midden of de renteaftrekbeperking een beperking van de vrijheid van vestiging is omdat die bepaling misbruik door grondslaguitholling met kunstmatige renteaftrek bestrijdt en het in casu om dergelijke uitholling gaat, zodat toepassing van art. 10a Wet Vpb gerechtvaardigd en proportioneel was.
de belanghebbendevoor die rechtshandeling in te schakelen:
corporation taxheeft betaald. Subsidiair zou volgens de belanghebbende onderzocht moeten worden bij wie de rentebaten in feite indirect terecht zijn gekomen, waartoe de belanghebbende in dat geval bewijs wenste te leveren, voor zoveel nodig na een tussenuitspraak van het Hof. Het Hof heeft de compenserende-heffingstoets echter aangelegd bij de Zweedse topholding:
Treasury; PJW] de civielrechtelijke crediteur van de rente. In dit verband is evenwel het volgende van belang. Gedagtekend 29 juli 2011 verduidelijkt belanghebbende de verhouding tussen [B] en [A] [de Zweedse topholding; PJW]. Voor zover van belang, luidt dit schrijven:
group contributionsbestaan, doet aan de compenserende heffing niet af, nu daardoor verliezen niet perfect worden verrekend omdat
group contributionsmoeten worden vastgesteld vóórdat de fiscale positie van de betrokken belastingplichtigen bekend is. Het Hof wees dit betoog af:
Cadbury Schweppesen C-524/04
Test Claimants in the Thin Cap Group Litigationgestelde beoordelingskader – door de noodzaak volstrekt kunstmatige constructies te bestrijden die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied, waarbij bovendien belastingplichtigen, gezien art. 10a(3)(a) Wet Vpb, voldoende mogelijkheid tot tegenbewijs hebben:
3.Het geding in cassatie
V-N2011/3.19,
FutD2010/2941, die als gevolg van intrekking niet tot een arrest heeft geleid.
4.Art. 10a Wet Vpb (renteaftrekbeperkingen)
5.Wijziging van het uiteindelijke belang in de biedingsvennootschap (middel 1)?
6.Doel en strekking van art. 10a Wet Vpb (middel 2)
fraus legiszou slagen. Volgens u ging art. 10a Wet Vpb echter verder dan codificatie van uw fraus-legisjurisprudentie:
V-Nschreef onder de thans in cassatie ter beoordeling staande hofuitspraak over doel en strekking van art. 10a Wet Vpb:
BNB2003/344) heeft ervoor gezorgd dat renteaftrek voor buitenlandse deelnemingen moest worden toegestaan, zodat pas nu de vraag opkomt of de wettekst van art. 10a Wet VPB 1969 onderhavige casus als besmette rechtshandeling aanduidt. Met de belastingplichtige kan men zich afvragen of deze kapitaalstorting eronder moet vallen, maar gezien de beperkte parlementaire geschiedenis kiest het hof voor een grammaticale wetsuitleg. Wij willen op dit punt ook wijzen op de conclusie van A-G Wattel van 30 november 2010, nr. 10/00075,
V-N2011/3.19. Zoals wij destijds al opmerkten, onderschrijven wij de benadering dat, als er sprake is van een lening van een verbonden lichaam ten behoeve van een besmette transactie, alleen aan de aftrekbeperking van art. 10a Wet VPB 1969 kan worden ontkomen, indien wordt voldaan aan de tegenbewijsregeling. Deze visie valt ook terug te lezen in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 25 maart 2013, nr. BLKB2013/110M, onderdeel 4.1,
V-N2013/19.19,
BNB2013/136 en wij vermoeden dat de Hoge Raad die visie zal onderschrijven. Wij menen dat de belastingrechter bij de tegenbewijsregelingen wel meer ruimte heeft om belastingplichtigen tegemoet te komen in situaties die naar doel en strekking niet onder art. 10a Wet VPB 1969 zouden moeten vallen.”
7.Tegenbewijs 1: de dubbele zakelijkheidstoets (middel 3)
V-Nbecommentarieerde het Hofoordeel op dit punt als volgt:
V-Nopmerkt, doet ’s Hofs ‘derde’ toets denken aan art. 13l(6)(c) Wet Vpb. Die bepaling beperkt de aftrek van bovenmatige deelnemingsrente. Het vijfde lid bevat een uitzondering voor uitbreidingsinvesteringen en het tiende lid een forfaitaire uitzonderingsregeling voor oude deelnemingen. Het zesde lid (tekst 2015) bevat weer een uitzondering op die twee uitzonderingen voor het geval de keuze om juist de belastingplichtige de deelneming te laten houden zuiver fiscaal is ingegeven:
fraus legisgeen sprake was. U liet dat oordeel in stand. Van der Geld annoteerde in BNB:
auxiliary means of interpretationvan art. 10a Wet Vpb zoals dat luidde vóór 2007, voor zover toen niet gewijzigd (de zakelijkheidstoets is toen niet gewijzigd). Uit de parlementaire behandeling van de herziening van art. 10a Wet Vpb bij de Wet werken aan winst in 2007 volgt dat zowel aan de rechtshandeling als aan de schuldfinanciering ervan overwegend zakelijke overwegingen ten grondslag moeten liggen, óók in geval van een zakelijke externe acquisitie. In de Nota naar aanleiding van het Verslag merkt de regering expliciet op dat schuldfinanciering van een zakelijke acquisitie niet per definitie zakelijk is. De zakelijkheid van de schuld moet afzonderlijk worden getoetst: [23]
zonder meer’ het ex art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste tegenbewijs is geleverd.
tax haven). Bij rechtstreekse financiering staat het de belanghebbende dus in beginsel vrij om op fiscale gronden te kiezen voor vreemd vermogen in plaats van eigen vermogen (hoewel daar uitzonderingen op bestaan):
de inschakeling van de belanghebbendete betrekken in de beoordeling of aan de kapitaalstorting en de lening overwegend zakelijke motieven ten grondslag lagen, heeft het Hof mijns inziens een verkeerde maatstaf aangelegd. Het Hof heeft mijns inziens in wezen niet twee toetsen (de wettelijke) aangelegd, noch drie toetsen (de wettelijke twee plus toetsing van de zakelijkheid van belanghebbendes optreden), maar slechts één toets: hij baseert zijn onzakelijkheidsoordeel ter zake van zowel de lening als de rechtshandeling uiteindelijk op het oordeel dat belanghebbendes inschakeling fiscaal gemotiveerd was. Uit tekst noch parlementaire geschiedenis van art. 10a(3)(a) Wet Vpb volgt echter dat ook het motief voor de keuze van de belastingplichtige op wie de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb dreigt te worden toegepast van belang is voor de zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Bij een zakelijke rechtshandeling die op zakelijke wijze intern wordt gefinancierd, wordt de renteaftrek mijns inziens niet door art. 10a Wet Vpb beperkt, net zo min als aftrek van rente op een banklening alsdan zou worden beperkt. Dat is mijns inziens niet anders als de keuze voor de rechtshandelaar/debiteur fiscaal gedreven is.
wiedie kapitaalstorting deed in plaats van de vraag of storting in een Italiaanse biedingsvennootschap op zichzelf zakelijk was. Niet alleen bij de lening, maar ook bij de rechtshandeling moet mijns inziens het concernperspectief gekozen worden. De Redactie
V-N2015/27.16 schreef in dit verband onder uw boven (7.19) geciteerde arrest van 5 juni 2015:
dezeconcernvennootschap verricht zou zijn. Het gaat er volgens mij slechts om of het vanuit het concern bezien zakelijk was om de beursexit te laten lopen via een speciaal daartoe opgerichte Italiaanse biedingsvennootschap in plaats van rechtstreeks vanuit de reeds bestaande concernstructuur. Die vraag heeft het Hof in het midden gelaten.
floating shareste laten kopen), maar ook dat de biedingsvennootschap volledig met eigen vreemd vermogen werd gefinancierd. Dat laatste oordeel lijkt mij in strijd met het volgens HR BNB 2014/79 en HR V-N 2015/27.16 (zie 7.20) in de Wet Vpb besloten liggende uitgangspunt dat een belastingplichtige vrij is bij de keuze van de financiering van een vennootschap waarin zij deelneemt. Dat uitgangspunt geldt mijns inziens ook bij de beoordeling of een gelieerde kapitaalstorting – waar ook een lening had kunnen worden verstrekt – onzakelijk is.
Nederlandsefiscale redenen gebruik is gemaakt van een Italiaanse biedingsvennootschap, nu art. 10a Wet Vpb in 2004 immers niet gold bij een externe aquisitie (een rechtstreeks openbaar bod door de belanghebbende zelf). Juist het gebruik van de Italiaanse biedingsvennootschap bracht haar in Nederlandse renteaftrekproblemen. Dat suggereert dat er voor het gebruik van de Italiaanse biedingsvennootschap ofwel een niet-fiscaal motief bestond, ofwel een niet-Nederlands fiscaal motief.
haar inschakelingin het complex van rechtshandelingen zakelijk was. De redactie
V-Nschrijft daarover:
V-N2014/61.15). Als het geld door de concernverstrekker namelijk niet met het oog op het verstrekken van de geldlening is verkregen, zou – kort gezegd – volgens de parlementaire geschiedenis aan de zakelijkheid van de geldlening zijn voldaan.
V-N-redactie meen ik dat de regel dat de lening zakelijk is als zij niet is ongeleid niet alleen geldt bij (zakelijk) acquisities, maar bij alle in art. 10a Wet Vpb genoemde rechtshandelingen als zij zakelijk zijn. Als het Hof bedoeld zou hebben dat de lening in casu is omgeleid omdat
Treasuryaan de belanghebbende heeft uitgeleend in plaats van rechtstreeks aan de biedingsvenootschap, is dat oordeel mijns inziens rechtskundig onjuist. In uw arrest van 5 juni 2015 (zie 7.19 hierboven) oordeelde u dat aan een geldlening “in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen als geen sprake is van een omleiding van de voor de [rechtshandeling] aangewende middelen”, omdat bij rechtstreekse financiering “het in de keuzevrijheid van de belastingplichtige besloten [ligt] dat de wetgever mogelijke fiscale overwegingen die aan de gekozen financiering ten grondslag liggen, als passend binnen die vrijheid, heeft aanvaard.” Dat oordeel is gebaseerd op de in 7.15 hierboven geciteerde MvA EK. In die MvA bevestigt de Minister dat aftrek akkoord is als
de rechtstreekse (concern)crediteurvan de belastingplichtige het vermogen niet heeft aangetrokken met het oog op de acquisitie. Daaruit volgt mijns inziens dat zich een omleiding van de lening alleen voordoet als op weg naar de rechtstreekse (concern)debiteur (in casu de belanghebbende) een fiscaal gedreven omweg is genomen. De vastgestelde feiten bieden daarvoor geen basis;
Treasuryc.q. de Zweedse topholding heeft geen met het oog op de kapitaalstorting verkregen vermogen voor de geldlening gebruikt.
8.Tegenbewijs 2: compenserende heffing? (middel 4)
i.e.situaties waarin de juridische crediteur een verplichting heeft om de inkomsten door te stoten naar een achterliggende aandeelhouder:
auxiliary meanskan zijn voor de uitleg van het ‘oude’ art. 10a Wet Vpb voor zover niet gewijzigd, had de medewetgever het niet meer over een al dan niet afdwingbare verplichting, maar over een ‘doorgeefluik’. Als de lening van de juridische crediteur bij die juridische crediteur ook weer is gefinancierd met een lening bij een achterliggende vennootschap, kan het zijn dat de rente in feite indirect verschuldigd is aan die achterliggende vennootschap. Fungeert de directe crediteur als doorgeefluik binnen het concern, dan moet de compenserende heffing achter dat luik (bij de crediteur van de directe crediteur) worden beoordeeld: [34]
BNB1993/194 en
BNB1993/196) hetzij bij een buitenlandse heffing. Uit HR 20 september 1995,
BNB1996/5, blijkt bijvoorbeeld dat indien "ter zake van de rente (...) belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven, die naar hier te lande geldende maatstaven als redelijk is aan te merken", niet is voldaan aan de eis dat de vermindering van de winst in strijd is met doel en strekking van de wet. Dat is merkwaardig, omdat wettekst noch wetsgeschiedenis steun bieden voor de opvatting dat doel en strekking van de wet zouden inhouden dat aftrek van rente afhankelijk is van de heffing bij de crediteur. Kennelijk is de achterliggende gedachte dat strijd met doel en strekking van de wet minder prangend is wanneer de rente feitelijk onderworpen is aan een behoorlijke heffing. Zo beschouwd lijkt het in strijd met doel en strekking van de bepaling wanneer de aftrekbeperking zou kunnen worden ontlopen door tussen de laagbelaste crediteur en de belastingplichtige een tussenschakel te plaatsen, die weliswaar redelijk wordt belast, maar slechts over een geringe spread (het saldo van ontvangen en verschuldigde rente). Art. 10a, derde lid, onderdeel b, spreekt van heffing "bij degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd". Deze zin kan zo worden uitgelegd dat slechts de heffing bij één (de echte) crediteur wordt getoetst, maar ook zo dat zowel de heffing bij de "directe" als bij de "indirecte" crediteur wordt getoetst. In de wetsgeschiedenis wordt de eerste opvatting verdedigd. Kennelijk is de achterliggende gedachte dat de "echte" crediteur moet worden geïdentificeerd, en dat parallellie daarbij het onderscheidend criterium zou zijn. Dat zou aansluiten bij het beleid over lenen van derden. De zinsnede "rechtens dan wel in feite direct of indirect" zou dan niet betekenen dat besmetting zowel kan plaatsvinden door de directe als de indirecte crediteur, maar slechts dat de enige "echte" crediteur ook de indirecte crediteur kan zijn. Mijns inziens is die opvatting echter onjuist. Uit de wetsgeschiedenis volgt bijvoorbeeld dat wanneer indirect van derden wordt geleend, de tegenbewijsregeling van art. 10a, derde lid, onderdeel b, van toepassing is. Daaruit blijkt dat die situatie in beginsel wel wordt bestreken door art. 10a, eerste lid. Men vergelijke voorts de toepassing van art. 10d: deze bepaling kent een vergelijkbare formulering van de verbonden crediteur, en bestrijkt zowel de rente die direct is verschuldigd aan een verbonden lichaam en indirect aan derden, als de rente die indirect is verschuldigd aan een verbonden lichaam en direct aan derden. Met andere woorden: er is dus niet slechts één "echte" crediteur. Er is dus evenmin grond om de compenserende heffing slechts bij één schakel te toetsen. Naar mijn mening is er ook geen grond om de corresponderende rentelasten bij de tussenschakel te negeren. Aftrek van die corresponderende rentelast doet immers daadwerkelijk afbreuk aan de compenserende heffing.”
degeneaan wie de rente is verschuldigd. Zoals een schuld reeds onder de werking van het eerste lid valt indien de rente rechtens direct, rechtens indirect, in feite direct, of in feite indirect is verschuldigd aan een verbonden lichaam, zo is de tegenbewijsregeling, mijns inziens, al van toepassing indien bij één van die personen of bij hen samen de rente voldoende is belast. Indien bijvoorbeeld een op de voet van art. 10a, eerste lid, besmette transactie wordt gefinancierd met een lening van een bank, en in verband daarmee hetzelfde bedrag door een met de belastingplichtige verbonden lichaam wordt aangehouden, dan is er sprake van het indirect verschuldigd zijn van rente aan dat verbonden lichaam, ook indien op de bank geen afdwingbare verplichting rust om de ontvangen rente door te betalen, en ook wanneer er geen sprake is van ‘parallellie’. Indien de rente bij dat verbonden lichaam onderworpen is aan een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing staat noch de tekst noch de ratio eraan in de weg om een compenserende heffing aanwezig te achten.”
Kamerstukken II1995/96, 24696, nr. 5, p. 33), dat de compenserende-heffingstoets dient plaats te vinden bij de juridische crediteur als er voor haar niet de (afdwingbare) verplichting bestaat de rente door te stoten. De uitleg die het hof geeft aan de compenserende-heffingstoets werkt twee kanten op. In het onderhavige geval betaalt de belanghebbende het gelag, aangezien de rentebaten bij de juridische crediteur door de verliesverrekening (zie hierna) laag worden belast. Als de compenserende heffing strikt alleen wordt bekeken op het niveau van de tussenschakelvennootschap, is echter in andere situaties mogelijk het tussenschakelen van een hoogbelastende jurisdictie aantrekkelijk. Deze vennootschap wordt dan slechts over de ’spread’ belast, terwijl de uiteindelijke gerechtigde van de rente binnen het concern nauwelijks wordt belast. Naar doel en strekking zouden wij menen dat er heel wat voor valt te zeggen om deze toets meer materieel te benaderen en dat de combinatie van belastingheffing bij de juridische en de feitelijke crediteur beslissend is of is voldaan aan de compenserende-heffingstoets. (…).”
9.EU-recht (middel 5)
Treasuryen de topholding niet in Zweden maar in Nederland waren gevestigd en als de biedingsvennootschap en de beursvennootschap niet in Italië maar in Nederland waren gevestigd, zou mijns inziens art. 10a Wet Vpb gelijkelijk van toepassing zijn geweest. Ik zie geen onderscheid tussen de grensoverschrijdende en de vergelijkbare interne situatie, zodat wij mijns inziens niet verder hoeven na te denken over rechtvaardigingen en proportionaliteit.
Treasuryc.q. de Zweedse topholding, [48] neemt het nondiscriminatoire karakter van art. 10a Wet Vpb niet weg, maar ziet op de onmogelijkheid om een grensoverschrijdende fiscale eenheid aan te gaan, welke onmogelijkheid in elk geval voor wat betreft de belemmering van grensoverschrijdende verliesverrekening en van neutralisering van grensoverschrijdende intragroepstransacties door het HvJ EU aanvaard is in het arrest
X Holding v Inspecteur. [49] Het is wellicht denkbaar dat het HvJ EU – ondanks het genoemde
X Holdingarrest – niet aanvaardt dat ook voor het fiscale-eenheidsregime niet-wezenlijke aspecten verloren gaan in de grensoverschrijdende situatie (zo meent de A-G Kokott in de bij het HvJ EU aanhangige zaak
Groupe Stéria [50] dat de Franse heffing over 5% van overigens vrijgestelde deelnemingsdividenden van EU-dochters de vestigingsvrijheid schendt omdat die 5% binnenslands niet geheven wordt als moeder en dochter een
intégration fiscaleaangaan), maar in casu zou het wél gaan om aspecten die juist wezenlijk zijn aan een fiscale-eenheidsregime, zoals uitschakeling van intraconcern-transacties en
poolingvan resultaten.