Conclusie
1.Procesverloop
2.Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing
3.Bespreking van het middel
eerste onderdeel(cassatiedagvaarding, blz. 5 onder het kopje “
Bestemming in plaats van bestemmingsplan”) klaagt dat waar [eisers] hebben betoogd dat het bij eliminatie aankomt op de specifiek voor het onteigende toebedachte bestemming, de rechtbank toch alleen oog lijkt te hebben gehad voor het bestemmingsplan als geheel. Dit maakt de interpretatie (en weerlegging) van dit verweer onvoldoende begrijpelijk. Voor zover de rechtbank impliciet van oordeel is dat voor de vraag of eliminatie aan de orde is alleen moet worden gelet op bestemmingsplannen en niet op bestemmingen, getuigt dat volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting: art. 40c Ow ziet op de eliminatie van bestemmingen.
het werk waarvoor onteigend wordt. Het gaat er dus om wat het werk is waarvoor onteigend wordt. Indien, bijvoorbeeld, een stuk grond wordt onteigend ten behoeve van de aanleg van een spoorweg die onder meer over het onteigende zal lopen, moeten bij de vaststelling van de schadeloosstelling de voordelen of nadelen teweeggebracht door (de plannen voor) de gehele aanleg van die spoorweg (zijnde het werk waarvoor wordt onteigend), worden geëlimineerd. Indien met toepassing van de 9 juli-arresten ook het bestemmingsplan dat voorziet in de aanleg van die spoorlijn moet worden geëlimineerd, zal naar mijn mening dat elimineren betrekking moeten hebben op het complete in het bestemmingsplan opgenomen traject van de aan te leggen spoorweg. Het wegdenken van bestemmingsplanvoorschriften op de voet van de 9 juli-arresten wordt daardoor gerechtvaardigd, dat die voorschriften dermate nauw samenhangen met het (plan voor het) werk waarvoor onteigend wordt, dat die voorschriften niet los daarvan kunnen worden gezien.
de ontwikkeling en realisering van het Deelgebied ‘Westelijke Perkpolder’. De rechtbank lijkt (zie rov. 2.15, derde alinea) de deskundigen hierin te volgen. Als we ervan uitgaan dat dat het werk is waarvoor onteigend is [9] , moet naar mijn mening ook, als het komt tot toepassing van de in de 9 juli-arresten neergelegde leer, het bestemmingsplan ‘Perkpolder’ worden weggedacht voor zover dat betrekking heeft op het bedoelde deelgebied (dat overigens, als ik het goed zie, grotendeels of geheel samenvalt met het onteigende). Dat de rechtbank daar anders over dacht en het gehele bestemmingsplan heeft weggedacht, valt uit het bestreden vonnis niet op te maken. Het onderdeel lijkt mij dan ook ongegrond.
tweede onderdeel(cassatiedagvaarding, blz. 5-7 onder het kopje “
Geen eliminatie bij toelatingsplanologie”) wil ingang doen vinden dat voor eliminatie van een in een bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming alleen ruimte is wanneer de betrokken bestemming ‘slechts’ (louter en alleen) is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk maakt, en dat daarvan geen sprake is als het bestemmingsplan (ook) geacht kan worden te zijn vastgesteld in het kader van de normale uitoefening van het ruimtelijke ordeningsbeleid van de gemeente en de daarmee samenhangende bevoegdheden (art. 3.1 Wro).
in het kader van de normale uitoefening van het ruimtelijke ordeningsbeleid van de gemeente en de daarmee samenhangende bevoegdheden. Bij ‘normale uitoefening’ geen eliminatie. Dit lijkt mij geen bruikbaar criterium voor het te maken onderscheid, reeds omdat hoogst onduidelijk is wat onder normale en wat onder abnormale uitoefening van het ruimtelijke ordeningsbeleid van de gemeente moet worden verstaan. Anders dan het onderdeel wil, kan ik uit de 9 juli-arresten en/of het arrest Ballast Nedam/Staat [13] niet opmaken dat Uw Raad daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat het in die arresten vermelde eliminatiecriterium slechts kan worden aangelegd indien het gaat om bestemmingsplannen die de gemeenten hebben vastgesteld in buitengewone of abnormale uitoefening van haar ruimtelijke ordeningsbevoegdheden.
‘toelatingsplanologie’. Dit criterium kan slechts bruikbaar zijn als duidelijk is wat precies onder ‘toelatingsplanologie’ moet worden begrepen. Het onderdeel specificeert niet wat het onder ‘toelatingsplanologie’ verstaat, al valt uit de derde alinea van het onderdeel op te maken dat het onderdeel de planologie die voorziet in de realisering van ‘(niet lucratieve) werken van infrastructurele aard’ niet als toelatingsplanologie wil aanmerken, en al moeten we aannemen dat het onderdeel ervan uitgaat dat het onderhavige bestemmingsplan ‘Perkpolder’ aan te merken is als toelatingsplanologie.
toelatingsplanologie’? In zijn bijdrage ‘Afscheid van Matser’ [14] spreekt J.G. de Vries Robbé over ‘klassieke toelatingsplanologie’, waarbij het bestemmingsplan leidend is en open blijft of en zo ja, wanneer een bestemming wordt gerealiseerd en waarbij dus afstand is tussen het vaststellen van het bestemmingsplan en de uitvoering van het werk. [15] Mr. Van den Berg wijst daarnaar in zijn schriftelijke toelichting [16] en betoogt vervolgens dat de rechtbank in de onderhavige zaak van oordeel was dat (bij het bestemmingsplan ‘Perkpolder’) niet sprake was van ‘toelatingsplanologie’ maar van ‘projectplanologie’.
uitvoerenvan ruimtelijke visies, plannen en projecten meer centraal stelt. In gebiedsontwikkeling komen toelatingsplanologie en ontwikkelingsplanologie allebei terug’. Deze opvatting treffen we ook aan in de Nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer. De leden van de SGP fractie vroegen of het wetsvoorstel uitvoeringsgericht was. ‘Is het manco niet, dat het wetsvoorstel zich toch vooral kenmerkt door de filosofie van de toelatingsplanologie en minder door een ontwikkelingsplanologie?’ Op die vraag antwoordde de minister dat kan worden gesteld ‘dat het wetsvoorstel zowel de toelatingsplanologie als de ontwikkelingsplanologie mogelijk maakt. Daarbij moet worden onderkend dat een effectieve ontwikkelingsplanologie niet denkbaar is zonder een evenwichtige toelatingsplanologie.’11
Ontwikkelingsplanologie: hype of hoop?,Rooilijn 2004, p. 213-218, i.h.b. p. 213.
Kamerstukken II2004/05, 28916, nr. 12, p.4.
derde onderdeel(cassatiedagvaarding blz. 7/8 onder het kopje “
Eliminatie enkel bij overheidswerk”) richt een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.15 dat er “mede gelet op de redactie van artikel 40c Ow” geen aanwijzingen zijn dat van eliminatie van een (waardevermeerderende) bestemming alleen sprake kan zijn als het de overheid is die tot realisatie overgaat. Daarnaast wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van de overweging waarin de rechtbank zich heeft aangesloten bij het oordeel van de deskundigen dat in casu geen sprake is van een situatie waarin een afzonderlijke lucratieve bestemming enkel door een marktpartij wordt gerealiseerd.
onteigenaarmet het verrichten van de werkzaamheid
op het oogheeft; men zie (zeer duidelijk) Hoge Raad 15 november 1972, NJ 1973, nr. 153. Zonder deze (voor derden aannemelijk gemaakte) subjectieve begrenzing kan het leerstuk omtrent de invloed van het werk het niet stellen. Ten opzichte van deze rechtspraak brengt het ontwerp geen verandering; het ontwerp legt deze rechtspraak vast in artikel 40
c, onder 1º. In de rechtspraak vindt men intussen de aanzet tot twee verruimingen. De eerste verruiming is hierin gelegen dat het eliminatiebeginsel wordt uitgebreid van werkzaamheden binnen het kader van het werk waarvoor onteigend wordt, tot werken die met het werk waarvoor onteigend wordt, in verband staan. Deze eerste verruiming is duidelijk genoeg dat zij als staand (rechters)recht kan worden aangemerkt. Men zie vooral Hoge Raad 28 juni 1972, NJ 1972, nr. 501. In datzelfde arrest bespeuren wij een eerste aanzet tot de tweede verruiming: de eliminatie van werken die met elkaar in verband staan, zal niet slechts plaatsvinden indien zij door dezelfde overheid worden ondernomen. De eliminatie dient ook plaats te vinden indien de beide werken door verschillende overheden worden uitgevoerd. De beide verruimingen, waarvan de tweede zich in de rechtspraak nog slechts in een beginstadium bevindt, worden thans in volle omvang in de wet vastgelegd.
c, onder 2º, bedoelde verband bestaat, zich een vergelijkbare moeilijkheid voordoet als bij de vraag of een werkzaamheid deel uitmaakt van het werk waarvoor onteigend wordt. Ook aan twee werken valt niet te zien of zij al dan niet in voldoende nauw verband staan om de invloed van beide werken te elimineren. Anders gezegd: ook hier zal het criterium gezocht moeten worden in het oogmerk waarmee de overheid (of de beide overheden) de beide werken onderneemt (of ondernemen). Is het oogmerk aldus dat weliswaar beide werken afzonderlijk worden uitgevoerd, doch desniettemin – gemeten naar de doelstelling van de onteigenaar, dan wel de samenwerkende overheden – als één geheel moeten worden beschouwd, dan is het in artikel 40
conder 3º [24] bedoelde verband aanwezig. Is dit oogmerk afwezig dan ontbreekt dat verband. Het vereiste oogmerk moet wederom niet slechts in de gedachte van de overheid bestaan, doch het moet voor derden kenbaar zijn, met name uit de nauwkeurigheid waarmee de werken zijn omschreven en de wijze waarop de projecten zijn openbaar gemaakt;
cwordt tenslotte bepaald dat ook de invloed van het plan voor de onder 1o en 2o bedoelde werken moet worden geëlimineerd. Zulks is geheel in overeenstemming met de huidige rechtspraak, die zich terecht op het standpunt stelt dat niet alleen de invloed van de uitvoering van het werk terzijde moet worden gesteld, doch ook het besluit van de overheid om het werk te ondernemen. Dat besluit wordt in de rechtspraak aangeduid als: het plan voor het werk. Dit plan voor het werk moet worden onderscheiden van het bestemmingsplan; het bestemmingsplan stelt regels welke bij de realisatie van het plan in acht moeten worden genomen,
wie ookde realisatie ter hand neemt; het plan voor het werk is het besluit van de overheid om zelf te realiseren. Men zie voor een korte en goede uiteenzetting op dit punt: mr. C.H. Telders, Schadeloosstelling voor onteigening, 1967, nr. 310.
nietis het bestemmingsplan (of een andere planologische maatregel). Aldus blijft het werkingsgebied van artikel 40
cen artikel 40
dgescheiden.
c, onder 2º, een element benadrukt, dat in de rechtspraak nog niet ten volle wasdom is gekomen, in het bijzonder niet voor zover deze bepaling het mogelijk maakt de invloed van werken te elimineren die niet door dezelfde overheid worden ondernomen.”
in casugeen sprake is van een situatie waarin een afzonderlijke lucratieve bestemming enkel door een marktpartij wordt gerealiseerd. De deskundigen gaven op blz. 14 van hun rapport de volgende uiteenzetting: [32]
enkel door een marktpartijwordt gerealiseerd is naar mijn mening een onvoldoende begrijpelijke verwerping van dit betoog, en geeft overigens naar mijn mening ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting (maar daarover klaagt, als ik goed zie, het onderdeel niet). De motiveringsklacht lijkt mij gegrond.
vierde onderdeel(blz. 8 onder het kopje “
Voortbouw”) wijst – terecht – erop dat het slagen van één van de voorafgaande klachten met zich brengt dat de daarop voortbouwende oordelen van de rechtbank en het dictum evenmin in stand kunnen blijven.