Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het het hof niet vrij stond de in het opsporingsonderzoek door aangever [aangever] afgelegde verklaring voor het bewijs te gebruiken, nu het hof in strijd met art. 6 EVRM Pro niet (ambtshalve) de oproeping van die [aangever] als getuige heeft bevolen.
nietin de gelegenheid is geweest de getuige in enig stadium van de strafrechtelijke procedure te ondervragen over het tenlastegelegde feit of indien de getuige hieromtrent geen vragen heeft beantwoord. [12]
tweede middelwordt geklaagd dat het hof op basis van een onjuiste maatstaf en/of om onbegrijpelijke redenen heeft afgezien van het horen van de getuigen [aangever] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , althans een nader verzoek daartoe om onbegrijpelijke redenen heeft afgewezen.
Voorwaardelijke verzoeken
ter terechtzittingbij het hof te horen. Gelet daarop moet dat (kennelijk) eerst ter terechtzitting van 14 februari 2013 gedane verzoek worden aangemerkt als een verzoek in de zin van art. 328 Sv Pro om toepassing te geven aan art. 315 Sv Pro, en heeft het hof bij de beslissing op dat verzoek mijns inziens terecht de maatstaf toegepast of de noodzaak van het verzoek was gebleken. [15] Nu bovendien niet wordt betwist dat het hof bij het ter terechtzitting van 12 september 2013 herhaalde verzoek terecht de maatstaf van noodzakelijkheid heeft toegepast en tot dezelfde beslissing is gekomen als eerder op de terechtzitting van 14 februari 2013, zie ik niet welk belang de verdachte heeft bij een eventuele vernietiging op dit punt. Dat belang is in de schriftuur ook niet aangegeven. Ik wijs er ten slotte op, zo er al een verkeerde maatstaf zou zijn toegepast, dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat die enkele omstandigheid niet zonder meer voldoende – rechtens te respecteren – belang oplevert bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. Het gaat er uiteindelijk om of de afwijzing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [16]
derde middelwordt geklaagd over de afwijzing van het verzoek om de tijdig bij appelschriftuur opgegeven deskundige Spendlove te horen.
vierde middelbevat de klacht dat het hof niet of onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat de verklaringen van [aangever] onbetrouwbaar zijn, dan wel niet op alle punten geloofwaardig zijn en daarom niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.
vijfde middelwordt tenslotte geklaagd dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd door niet-redengevende bewijsmiddelen op te nemen in de aanvulling.