Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat ten tijde van het binnentreden in de woning van de verdachte een redelijk vermoeden bestond als bedoeld in art. 9, eerste lid aanhef en onder b, van de Opiumwet.
Verweren betreffende het binnentreden
derde middelbehelst de klacht dat het bewezen verklaarde “medeplegen” niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
vierde middelziet op de verwerping door het hof van het verweer inhoudende dat de kelder zou zijn verhuurd aan een derde persoon.
vijfde middelklaagt over het oordeel van het hof dat het onder 3 bewezen verklaarde "witwassen" oplevert.