Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen in het principaal beroep
”
feitelijkgebruik is vereist: er is dus méér nodig dan enkel het bezit of houderschap van dat erf. Indien een besloten erf in onbruik is geraakt, kan volgens het middel van ‘vredebreuk’ als bedoeld in art. 138 Sr Pro geen sprake zijn. Het eigendomsrecht in zijn algemeenheid wordt immers niet beschermd door art. 138 Sr Pro [6] . Mocht het hof wél belang hebben gehecht aan het feitelijk gebruik, dan houdt de subsidiaire klacht in dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd, nu het hof over het feitelijk gebruik onvoldoende heeft vastgesteld. In de feitelijke instanties was slechts aangevoerd dat op het terrein rondom het voormalige dierenasiel bouwwerkzaamheden zijn verricht; daaruit volgt niet dat deze hebben plaatsgevonden op het door [eiser] c.s. in gebruik genomen gedeelte van het terrein. Ook is het hof voorbijgegaan aan de volgende, volgens het middel onbetwist gebleven stellingen van eisers: dat de bodemsanering (waarover het hof spreekt) al had plaatsgevonden vóór de ingebruikname van het terrein door [eiser] c.s.; dat de grond van het door hen in gebruik genomen terreingedeelte niet gesaneerd is; dat de sanering plaatsvond ten behoeve van andere doeleinden dan de ontwikkeling van het terrein. Tenslotte is aangevoerd dat een contra-indicatie om het terrein aan te merken als ‘bij een ander in gebruik’ is gelegen in het feit dat het dierenasiel al jarenlang leegstond: het gebruik van het omliggende terrein vloeit dus niet voort uit het gebruik van dat gebouw.
volledigafgesloten te zijn [8] . In de memorie van toelichting is ten aanzien van de woorden “bij een ander in gebruik” in art. 138 Sr Pro [9] het volgende opgenomen:
De woning of het besloten lokaal of erf.Uit de Memorie van Toelichting (…) volgt, dat met woning bedoeld is een
bewoondverblijf, zoodat de woorden:
bij een ander in gebruikdezelfde beteekenis hebben als de woorden:
habites par autruivan het aangehaalde art. 439 van Pro den Code Pénal Belge. De
minderheid der Commissieacht deze beperking juist, en wenscht geen uitbreiding tot het binnendringen in tot bewoning bestemde maar niet werkelijk bewoonde localiteiten, bijv. gemeubileerde woningen die des zomers door de bewoners verlaten worden, tot pakhuizen en dergelijke gebouwen.
befriedetesBesitzthum noemt. De regtsgrond is minder het gevaar en de schrik der bewoners dan wel de overschrijding van eens anders regt; het zich bevinden op eene plaats waar men geen regt heeft zich te bevinden. Dit blijkt reeds uit de gelijkstelling van de feiten van dit artikel met die van art. 148. In dat systeem kan de redactie van het artikel behouden blijven; de woorden ‘bij een ander in gebruik’ hebben dan echter niet den zin van ‘door een ander bewoond’ maar de beteekenis van ‘waarover een ander de beschikking heeft’. [11]
en148. [thans: art. 138 en Pro 139, A-G]. De opvatting der meerderheid is juist; de woning behoeft
nietbewoond te wezen. Hoe zou men anders, in het 1ste lid van art. 147, ‘woning, besloten lokaal of erf’ in één adem hebben kunnen noemen? Te ontkennen is het echter niet dat zoowel de beperkte uitdrukking in het 2de lid, als de daarvan gegeven toelichting tot misverstand zouden kunnen leiden. Die beperking diende intusschen geenszins om elk onbewoond verblijf, maar alleen om schuur, tuin, hooiberg enz. uit te sluiten en wanneer overigens van ‘
bewoner’gesproken werd, geschiedde dit, in de toelichting, met het oog op
id quod plerumque fit. [12]
ishen die zich 's nachts, niet gansch andere doeleinden dan om er te gaan slapen, in tuinen begeven, al vertrekken zij op de eerste aanmaning dadelijk, niet onvoorwaardelijk van straf vrij te stellen.
vaneen ander', maar aangezien wel de woning als begrip van wonen, maar niet het erf als begrip van eigendom geacht kon worden 'van' een ander te zijn - men had immers ook te maken met de situatie dat een huurder het lokaal of het erf 'bezat' - heeft men er op voorstel van Loke van gemaakt: 'bij een ander in gebruik'. Zie voorts de MvT (Smidt II, p. 81), waar de Regering stelt dat de eigenaar van een door hem verhuurde woning, lokaal of erf strafbaar is, als hij het verhuurde ondanks de huurder betreedt. Het lijkt mij duidelijk dat de wetgever met 'in gebruik van' slechts heeft willen uitdrukken dat niet de eigendom beslissend is, maar het feitelijk houderschap of 'bezit' van woning, lokaal of erf, al zal men, zoals hierna wordt betoogd, met name als het gaat om het houderschap van lokaal of erf soms met civielrechtelijke aanspraken rekening moet[en] houden. Uitgangspunt is echter de bescherming van hem die op het moment van de storing de woning bezit, d.w.z. aldaar woont, dus de woning 'gebruikt' en (bij uitbreiding) degene die de ruimte van lokaal en erf tot zijn beschikking heeft [15] en binnen deze vrijheidssfeer met vrede gelaten moet worden, niemand hoeft te dulden, en in die zin van lokaal en erf profiteert, daarvan genot heeft, deze 'geniet' of 'gebruikt'. (…)
woningheeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 februari 1971 [16] geoordeeld dat een woning die leeg te koop staat niet kan worden aangemerkt als ‘in gebruik’:
bepaaldehuurders, aangemerkt als ‘in gebruik’ [17] . Ook als ‘in gebruik’ gold een woning die weliswaar (nog) niet werd bewoond, doch waaraan vrijwel dagelijks werkzaamheden werden verricht die noodzakelijk waren om het pand bewoonbaar te maken [18] . Niet als ‘in gebruik’ werd aangemerkt een woning die twee maanden tevoren door de vorige huurder was ontruimd en ten aanzien waarvan weliswaar bij de eigenares het voornemen tot renovatie bestond, maar nog niets vaststond omtrent de aard en omvang van de renovatie, noch omtrent aanvang en de duur van de desbetreffende werkzaamheden; evenmin bleek in die zaak van enig concreet voornemen van de eigenares tot het opnieuw verhuren van de woning [19] .
besloten lokaalheeft de Hoge Raad bij arrest van 16 november 1971 [20] overwogen als volgt:
sexiesSr.
woningomvat iedere ruimte waarin wordt gewoond; dat kan een huis of een appartement (vastgoed) zijn, maar bijvoorbeeld ook roerend goed, zoals een woonboot, woonwagen of tent. Ook in diverse verdragsbepalingen wordt onderscheid gemaakt tussen het recht op bescherming van de woning (een
privacy-belang; zie onder meer: art. 8 lid 1 EVRM Pro) en bescherming van vermogensrechten (zie art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM). De onschendbaarheid van de woning kan worden ingeroepen tegenover derden – dat is de huisvrede die art. 138 Sr Pro beoogt te beschermen −, maar ook tegenover de overheid. Dit laatste blijkt onder meer uit art. 12 Grondwet Pro en de Algemene wet op het binnentreden en uit de corresponderende strafbepaling in art. 370 Sr Pro. Of de bewoner naar burgerlijk recht een recht kan doen gelden op het gebruik van de desbetreffende ruimte, is voor de toepassing van art. 138 Sr Pro onverschillig [22] . Zo mag bijvoorbeeld de verhuurder van woonruimte, ook na beëindiging van de huurovereenkomst, niet zomaar de woning van de (gewezen) huurder binnendringen.
als woningbestaat zolang deze ruimte feitelijk als woning in gebruik is. De vakliteratuur maakt nog een nader onderscheid tussen daadwerkelijk bewoonde huizen (d.w.z. de bewoner is in de regel thuis) en bewoonde huizen in het algemeen (d.w.z. de ruimte wordt voor bewoning gebezigd en is als zodanig ingericht, maar de bewoner kan langdurig afwezig zijn; bijv. een tweede woning of een
pied-à-terrevan iemand die veelal in het buitenland werkt). Buiten de bescherming van het huisrecht valt dan de categorie van de leegstand: ruimten die tot woning zijn bestemd, maar niet als zodanig in gebruik zijn; bijvoorbeeld een woning in aanbouw of een beleggingsobject). De eigenaar zal het dan moeten hebben van bescherming als ‘besloten lokaal’. Bewijsrechtelijke grensgevallen kunnen zich voordoen wanneer een leegstaande woning slechts
pro formais ingericht met “enig roerend goed van twijfelachtige waarde”.
uitoefent. Aan deze uitoefening mogen volgens het hof geen al te hoge eisen worden gesteld. Gelet de context van deze overweging, moet het hof bij dit laatste het oog hebben gehad op de mate waarin het gestelde gebruik voor anderen zichtbaar is. Ten aanzien van een besloten erf is dikwijls niet veel zichtbaar van de wijze waarop de beschikkingsmacht wordt gebruikt: een leegstaand besloten erf is dikwijls moeilijk te onderscheiden van een besloten erf dat in gebruik is. Enkele fictieve voorbeelden van twijfelgevallen zijn: een met hekwerk omringde lege parkeerplaats; de omheinde moestuin die om plantkundige redenen voor enige tijd bewust braak is gelegd; het bassin dat slechts een functie vervult als overloopreservoir bij hoogwater. Remmelink, reeds aangehaald, spreekt van een houderschap ‘in feitelijke of maatschappelijke zin’.
sexies [30] . Er is voor gekozen, deze zinsnede niet over te nemen in art. 138a Sr. De toelichting vermeldt:
in abstractogegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, ook
in het concrete gevalde proportionaliteitstoets kan doorstaan [35] . Naar het oordeel van de Hoge Raad kon het hof in die zaak zonder miskenning van art. 13 EVRM Pro (“
effective remedy”) beslissen dat een kort geding in één instantie een voldoende effectief rechtsmiddel vormt ter bescherming van het huisrecht van krakers en dat voor een verder gaande bescherming geen noodzaak bestaat. Voor de effectiviteit van het rechtsmiddel is vereist dat − behoudens bijzondere omstandigheden [36] − de ontruiming op een zodanig tijdstip wordt aangekondigd dat er voldoende gelegenheid is om een kort geding aanhangig te maken en dat, bij gebreke van een regeling ter zake in de Wet kraken en leegstand, slechts nauwkeurig omschreven en deugdelijk gepubliceerde beleidsregels van het OM voldoende waarborg dienaangaande bieden. De reeds genoemde beleidsbrief van het College van procureurs-generaal (Stcrt. 2010, nr. 19500) voldoet volgens de Hoge Raad aan de hiervoor geformuleerde vereisten.
novumin cassatie). Middel 3 faalt om deze redenen.
3.Bespreking van het voorwaardelijke incidenteel cassatiemiddel
onderdeel 1.1klaagt de Staat dat het hof hiermee miskent dat wanneer een voorzieningenrechter van oordeel is dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist, hij de gevorderde voorziening ingevolge art. 256 Rv Pro slechts kan weigeren. Volgens het onderdeel mocht het hof daarom niet beslissen deze grieven gegrond te achten.
Onderdeel 1.2klaagt dat het hof miskent dat de kortgedingrechter terughoudend gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid op grond van art. 256 Rv Pro, althans dit oordeel niet begrijpelijk heeft gemotiveerd.
onderdeel 2van het incidenteel middel worden twee routes beschreven waarlangs een strafrechtelijke ontruiming van een bij een gebouw behorend terrein zou kunnen plaatsvinden. De klachten zijn slechts voorwaardelijk voorgedragen, voor het geval het hof deze juridische mogelijkheden zou hebben miskend [40] .
klacht onder 2.1houdt in dat indien in rov. 2.6 en in de tweede volzin van rov. 2.13 besloten zou liggen dat voor de ontruiming op grond van art. 551a Sv in verbinding met art. 138a Sr van een terrein dat moet worden beschouwd als ‘behorend tot’ een woning of gebouw, vereist is dat óók jegens (alle) personen die zich op dat terrein bevinden een verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 138a Sr bestaat, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
onderdeel 2.2geen doel. Dat onderdeel klaagt dat indien in rov. 2.6 besloten zou liggen dat het wederrechtelijk binnendringen of vertoeven op een terrein dat deel uitmaakt van een woning of gebouw (waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd)
nietonder de delictsomschrijving van art. 138a Sr valt, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft.
Conclusie