Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [1] )
( [2] )Op 15 juli 2015 is door de advocaat van betrokkene - binnen de termijn van drie maanden – het middel aangevuld met een nieuw middelonderdeel onder de voorwaarde dat het verzoek van betrokkene tot herstel van de beschikking op de voet van art. 31 Rv Pro door de rechtbank wordt afgewezen.
2.Ontvankelijkheid van beroep
( [3] )Een en ander rechtvaardigt een doorbreking van het verbod van cassatieberoep en dus van het niet van toepassing achten in het onderhavige geval van artikel 29 lid 5 Wet Pro Bopz.
( [4] )
( [5] )heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een uitspraak van 7 juni 2011 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak S.T.S. tegen Nederland met die rechtspraak gebroken. De beschikking had betrekking op een uithuisplaatsing van een jeugdige, die als belang voor zijn beroep tegen de beslissing tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing aanvoerde dat hij aanspraak wilde maken op vergoeding van schade die hij als gevolg van de uithuisplaatsing had geleden. De Hoge Raad overweegt in rov. 3.7 onder meer:
( [6] )in een zaak waarin een moeder in cassatie komt van een beschikking waarin het hof een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing van een kind bekrachtigt en de termijn van de machtiging al was verstreken. In het kader van de beoordeling van het procesbelang bij het beroep tegen de beschikking tot verlening van de machtiging overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn beschikking van 24 juni 2011 onder meer:
3.Bespreking van de klachten in cassatie
onderdeel 4wordt verondersteld dat de rechtbank van het oproepen heeft afgezien omdat betrokkene geacht mocht worden niet bereid te zijn zich te doen horen. Daarvan uitgaande wordt in onderdeel 4 en ook in
onderdeel 5geklaagd over een onjuiste rechtsopvatting van de rechtbank. Tevergeefs, zo schijnt het toe.
onderdeel 3wordt verondersteld dat de rechtbank van oordeel is geweest dat betrokkene wegens mogelijk verblijf buiten Nederland – België/Frankrijk – niet (openbaar) kon c.q. behoefde te worden opgeroepen om te worden gehoord. In dat geval heeft de rechtbank miskend, dat de rechtbank ingevolge artikel 8 lid 1 vierde Pro volzin Wet Bopz de behandeling van het verzoek van de Officier van Justitie had dienen aan te houden totdat betrokkene in Nederland had kunnen worden gehoord.
“indien de betrokkene niet in Nederland verblijft, wordt de verdere behandeling van het verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging –lees voor het onderhavige geval:
machtiging – aangehouden totdat hij in Nederland kan worden gehoord.”Hier wordt er van uitgegaan dat vaststaat dat betrokkene niet in Nederland verblijft. Dat uitgangspunt kan in het onderhavige geval echter niet worden aangehouden. De rechtbank gaat er van uit dat de verblijfplaats van betrokkene niet bekend is. In het proces-verbaal van de mondeling behandeling staat als verklaring van de aanwezige psychiater opgetekend dat de ouders denken dat betrokkene in Frankrijk verblijft. Hier wordt niet meer dan een mogelijkheid uitgesproken. Een en ander betekent dat de rechtbank niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij niet besloten heeft de behandeling van het verzoek van de Officier van Justitie aan te houden tot de terugkeer van betrokkene in Nederland.
onderdelen 1, 2 en 3betreft, de in die onderdelen opgenomen klachten hebben dit gemeen dat de rechtbank als grond voor het nalaten van het oproepen van betrokkene voor de mondelinge behandeling niet voldoende heeft kunnen achten de omstandigheden dat zijn verblijfplaats niet bekend was en dat hij door zonder toestemming het ziekenhuis te verlaten het zelf in de hand heeft gewerkt dat hij niet kon worden gehoord. Deze klachten treffen om de volgende reden geen doel.
( [7] ), dat de rechtbank ingevolge artikel 29 lid 3 Wet Pro Bopz gehouden was om binnen drie dagen vanaf de dag na ontvangst van het verzoekschrift van de Officier van Justitie omtrent het verzoek van laatstgenoemde een beslissing te nemen en dat de rechtbank aan zijn beschikking een geldingsduur van 14 dagen heeft verbonden. Gezien de aard van deze omstandigheden valt aan te nemen dat achter de beschikking steekt de afweging tegen elkaar van enerzijds het scheppen van de mogelijkheid om betrokkene aanstonds in bewaring te stellen in verband met het vooralsnog bij hem aanwezig te achten ernstige gevaar, indien betrokkene toch nog heel snel zou worden gevonden, en anderzijds het bieden aan betrokkene van de mogelijkheid zich alsnog te verweren tegen eventuele maatregelen ten aanzien van hem, indien hij niet binnen veertien dagen na de dag van de beschikking zou worden gevonden. Want na die termijn zou een nieuwe machtiging moeten worden aangevraagd voor een maatregel ten aanzien van betrokkene. Overigens zou betrokkene ook binnen die termijn zich tot de rechter hebben kunnen wenden, in het kader van een ontslagverzoek of desnoods in kort geding. Neemt men
allehiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking dan komt het niet alleen niet onbegrijpelijk maar ook niet onjuist voor dat de rechtbank heeft besloten haar beschikking te geven zonder een oproep van betrokkene voor de – dan eventueel twee dagen later te houden – mondelinge behandeling. Het horen van betrokkene dient een zwaarwichtig belang, maar hetzelfde geldt voor het beschermen van betrokkene tegen een ernstig gevaar bij hem, voor het bestaan waarvan sterke aanwijzingen zijn.
( [8] )Bovendien viel van het binnen heel korte termijn oproepen van betrokkene, nu zijn verblijfplaats niet bekend was en hij wellicht in het buitenland vertoefde, ook niet werkelijk effect te verwachten.
onderdeel 6is een klacht opgenomen, waaraan naast de klachten in de vooraf-gaande onderdelen geen zelfstandige betekenis toekomt. Nu deze klachten geen doel treffen, geldt hetzelfde voor de klacht in onderdeel 6.