Conclusie
De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord geconcludeerd tot verwerping en een schriftelijke toelichting genomen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat het bestreden vonnis nietig is omdat het mede is gewezen door een rechter die slechts bij het pleidooi van 25 juni 2014 aanwezig is geweest, maar niet bij de pleidooien van 27 november 2012 en 12 juni 2013, hetgeen in strijd is met art. 37 Ow Pro. Volgens het onderdeel doet het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 hieraan niet af.
tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak(curs. W-vG) vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, partijen/de belanghebbenden daarover voorafgaand aan die uitspraak worden ingelicht, onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum en dat voorts elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen en belanghebbenden een nadere mondelinge behandeling zal mogen verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen.
subonderdelen 3.2.1en
3.2.2klagen dat de rechtbank voorts is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door niet te beslissen op de stellingen van [betrokkene] met betrekking tot de door hem geleden schade ten gevolge van de te trage werkwijze van deskundigen, die hij naar voren heeft gebracht tijdens de pleidooien, althans haar oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
Subonderdeel 4.1klaagt dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door ondanks het verzoek van [betrokkene] daartoe de door art. 36 lid 3 Ow Pro voorgeschreven rechtsgang niet toe te passen, maar blijkens een uitdraai van het roljournaal [14] de zaak na het verzenden van het proces-verbaal van 5 november 2010 te verwijzen naar de parkeerrol en vervolgens ambtshalve pleidooi te bepalen op 27 november 2012.
“kan nooit een aanspraak op vergoeding van een nadeel worden onthouden op de grond dat hij zelf dit nadeel had kunnen voorkomen. Het enige, dat van de zijde van de onteigende is te vóóronderstellen en dus van hem is te eisen, is: dat hij overdraagt, niet meer”.
een vervangingte realiseren [19] . Uit de stukken waarnaar in cassatie wordt verwezen, blijkt dat de deskundigen hebben geadviseerd dat voor de schadeberekening
nietkan worden uitgegaan van het verwerven van een bestaande met de onteigende jachthaven vergelijkbare jachthaven. Zij hebben geadviseerd uit te gaan van verwerving van grond met water en inrichting daarvan tot een naar aard en omvang vergelijkbare jachthaven [20] . Of partijen het erover eens waren dat een andere jachthaven in de omgeving van Amsterdam moeilijk te vinden is, is derhalve niet relevant. De stelling dat partijen het daarover eens waren, mist overigens feitelijke grondslag. Uit de gedingstukken waarnaar in cassatie wordt verwezen, blijkt slechts dat [betrokkene] dat standpunt huldigt [21] .
onderdelen 7 en 8richten zich tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de schadeloosstelling in de rechtsoverweging 4.2-4.20.
subonderdeel 7.2is het oordeel van de rechtbank onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de onder (i) en (ii) genoemde objecten niet kunnen dienen als vergelijkingsobjecten, nu vergelijkingsobjecten niet identiek hoeven te zijn aan het onteigende, maar het voldoende is als na het ecarteren van de verschillen tussen het onteigende en de vergelijkingsobjecten de overblijvende elementen van het onteigende en de vergelijkingsobjecten soortgelijk zijn.
Subonderdeel 8.1bevat de klacht dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door niet (kenbaar) rekening te houden met hetgeen door [betrokkene] is gesteld met betrekking tot de waarde van het onteigende in de diverse gedingstukken.
Subonderdeel 8.2klaagt dat het oordeel van de rechtbank althans ontoereikend is gemotiveerd omdat de rechtbank zich (bij herhaling) beperkt tot het volgen van de deskundigen zonder concreet aan te geven in welk gedingstuk en op welke wijze de deskundigen resp. de Gemeente stellingen van [betrokkene] en diens deskundige Verhagen hebben weerlegd en waarom die weerlegging afdoende is.
subonderdelen 8.1 en 8.2bevatten niet nader met verwijzing naar de gedingstukken onderbouwde klachten en voldoen daarom niet aan de daaraan te stellen eisen. Overigens miskent subonderdeel 8.1 dat de rechter de schadeloosstelling zelfstandig vaststelt en niet gebonden is aan de stellingen van partijen.