Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel 2.1had betrekking op de omrekening netto/bruto. Na de herstelbeschikking van 22 april 2014 heeft de vrouw dit middelonderdeel ingetrokken.
in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoudreeds had uitgegeven. Deze maatstaf is niet aan de aandacht van het hof ontsnapt. In rov. 4.10 heeft het hof een reactie gegeven op hetgeen door de vrouw omtrent de lasten van de terugbetalingsverplichting was aangevoerd. Uit deze rechtsoverweging volgt dat naar het oordeel van het hof de uit de beslissing in hoger beroep voortvloeiende terugbetalingsverplichting van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. De rechtsklacht faalt.
in overeenstemming met haar behoeftenal heeft uitgegeven. In de tweede plaats wijst het hof erop dat de vrouw jegens de man aanspraak heeft op een aandeel in de nog te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. Volgens het hof is haar aanspraak van een zodanige omvang dat zij de terugbetaling van het bedrag dat zij teveel aan alimentatie heeft ontvangen kan verrichten uit dit deel van haar vermogen.
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
indiende vrouw het door haar te verkrijgen vermogen niet aanwendt voor de aankoop van een woning, bij de vaststelling van haar netto-inkomen alsnog rekening moet worden gehouden met ‘inkomsten uit sparen en beleggen’. Dat standpunt stond niet in de weg aan de door het hof gegeven beslissing. Indien later, na huwelijksgoederenrechtelijke afwikkeling tussen partijen, wijziging zou komen in het inkomen van de vrouw, kan alsnog worden bezien of er grond is voor indiening van een wijzigingsverzoek op de voet van art. 1:401 BW Pro. Onderdeel I faalt.