Conclusie
eerste middelklaagt over het oordeel van het Hof dat verzoeker met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring heeft gegeven voor de (legale) herkomst van de geldbedragen. De steller van het middel meent dat het Hof het andersluidende verweer van de verdediging onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.
Bewijsoverweging
tweede middelklaagt met een beroep op HR 27 mei, ECLI:NL:HR:2014:1237 [2] dat het Hof onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan witwashandelingen, nu het verpakken van geldbedragen in diverse voorwerpen en het aldus vervolgens versturen naar Nederland onvoldoende is om te kunnen spreken van het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze geldbedragen.
middellijkvoorhanden hebben [6] , het overdragen en het omzetten van de geldbedragen en de Travelcards. In dat verband haal ik uit het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716 het volgende aan: