Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2betoogt dat het oordeel van het hof onjuist is dat met de veronderstelde intenties van partijen geen rekening kan worden gehouden omdat die afhankelijk waren van een nog te houden bespreking, zodat die geen basis bieden om de brief van 8 augustus 2003 reeds als stuitingsbrief aan te merken. Volgens het onderdeel kunnen en mogen ook latere gezamenlijke intenties van partijen de inhoud van een eerdere rechtshandeling (in casu: of de brief van 8 augustus 2003 een stuitingsbrief is in de zin van art. 3:317 lid 1 BW Pro) bepalen.
Onderdeel 3bouwt hierop voort met de klacht dat het hof in rov. 3.16 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de brief van 8 augustus 2003 niet aan de hand van een daarna plaatsgevonden bespreking en gedane uitlatingen kan worden ingekleurd en aangevuld. De
onderdelen 4 en 5, alsmede
de restklacht, bouwen eveneens op de voorafgaande onderdelen voort.