Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten
“will be fined”. [9]
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Het geding in cassatie
eersteen het
vijfde middelbetreffen het oordeel van het Hof dat in de fase
voorafgaandaan het opleggen van de utb het verdedigingsbeginsel niet is geschonden.
tweede middelbestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat de monsterneming voldoet aan de daaraan gestelde voorwaarden.
derde en vierde middelkomen op tegen de omstandigheid dat het onderzoek van het Amerikaanse laboratorium door het Hof is geaccepteerd als betrouwbaar bewijs. Dit oordeel van het Hof is volgens belanghebbende onbegrijpelijk. Belanghebbende is van mening dat – met name omdat de onderzoeksresultaten oncontroleerbaar zijn – het onderzoek van het Amerikaans laboratorium niet als bewijs kan dienen dat China de oorsprong is van de knoflook.
zesde middelbestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat de Inspecteur het aanbod van belanghebbende om mee te gaan naar Pakistan om daar te bekijken hoe de knoflook wordt geteeld en vervoerd, mocht afslaan.
doeltreffendheidvan de door artikel 47 van Pro het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing eist dat de belanghebbende
kennis kan nemen van de gronden waarop het jegens hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door lezing van het besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld, teneinde hem de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden.”
kennis te nemen van alle stukken of opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegdteneinde invloed uit te oefenen op diens beslissing, en daarover standpunten uit te wisselen.”
. In een zaak als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, blijken de in de punten 20 en 21 van het onderhavige arrest genoemde beginselen echter niet te zijn geschonden.Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat Unitrading kennis heeft van de gronden waarop de jegens haar genomen beschikking is gebaseerd, kennis heeft genomen van alle stukken en opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegd teneinde invloed uit te oefenen op diens beslissing, en daarover standpunten heeft kunnen uitwisselen.”
zijn (…) de rechterlijke instanties (…) vrij in hun oordeel over de relevantie van de aan hen voorgelegde bewijsmiddelen.”
aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procesregels voor deze beroepen vast te stellen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke beroepen krachtens nationaal recht gelden (
gelijkwaardigheidsbeginsel)en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (
doeltreffendheidsbeginsel). Deze
overwegingen gelden ook in het bijzonder voor de bewijsregels(…)”.
het onmogelijk of uiterst moeilijk kan makendit bewijs te leveren, met name omdat dit betrekking heeft op gegevens waarover de schuldenaar niet kan beschikken,
moet hij, om de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel te verzekeren,
gebruikmaken van alle procedurele middelen die het nationale recht hem ter beschikking stelt, waaronder het gelasten van de noodzakelijke maatregelen van instructie(zie in die zin arrest Direct Parcel Distribution Belgium, EU:C:2010:43, punt 35 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).”
nietertegen verzet dat het door de douaneautoriteiten volgens
de nationale procesregelsgeleverde bewijs van de oorsprong van ingevoerde goederen berust op de resultaten van onderzoek door een derde waarover die derde geen opening van zaken wil geven, noch aan de douaneautoriteiten noch aan de aangever, waardoor de verificatie of de weerlegging van de juistheid van de gebruikte conclusie wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt,
mits het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel worden geëerbiedigd.Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om te onderzoeken of dit in het hoofdgeding het geval is geweest.”
doeltreffendheidsbeginselen het
gelijkwaardigheidsbeginseldienen te eerbiedigen, de vraag of, in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de douaneautoriteiten moeten ingaan op een verzoek van de belanghebbende om onderzoeken te laten verrichten in een derde land, de vraag naar de relevantie in dit verband van het feit dat nog gedurende een beperkte tijd gedeelten van de monsters van de goederen zijn bewaard, en, zo ja, de vraag of de douaneautoriteiten de belanghebbende daarvan in kennis dienen te stellen,
te worden beantwoord op basis van de nationale procesregels.”
5.Vooraf: import van knoflook uit Azië
6.Rechten van de verdediging: algemeen
algemene regel’dat:
de eerbiedingen van de rechten van de verdediging een grondbeginsel van gemeenschapsrecht vormt, dat zelfs bij het ontbreken van enige regeling inzake de procedure in acht moet worden genomen’.
‘Inleiding tot het Europees bestuursrecht’ [37] . In deze procedure spelen daarvan een rol: het recht om gehoord te worden alvorens een voor de betrokkene nadelige beslissing wordt genomen en het recht op informatie/hoor en wederhoor. Hoewel het pièce de résistance in deze procedure wordt gevormd door het laatstgenoemde aspect, en dan met name de vraag naar de bruikbaarheid en het ‘gewicht’ van niet te controleren bewijsmiddelen, besteed ik in het navolgende eerst aandacht aan het recht (vooraf) gehoord te worden (onderdeel 7). In onderdeel 8 bespreek ik vervolgens de problematiek van oncontroleerbaar bewijs.
7.(Schending van) het recht vooraf te worden gehoord
8.Hoor en wederhoor in de rechtspraak van het HvJ
In deze omstandigheden kan het beginsel dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces niet aldus worden uitgelegd dat de documenten die belastend bewijsmateriaal bevatten, automatisch als bewijsmiddel dienen te worden uitgesloten wanneer bepaalde informatie vertrouwelijk dient te blijven.Deze vertrouwelijkheid kan ook betrekking hebben op de identiteit van de opstellers van de documenten en van de personen die deze aan de Commissie hebben bezorgd.”
de belanghebbende de redenen die ten grondslag liggen aan het betrokken besluit kan betwisten en opmerkingen kan maken over het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal en bijgevolg zinvol zijn verweermiddelen kan aanvoeren. Met name dient aan de belanghebbende hoe dan ook
de essentie van de redenente worden meegedeeld die aan een uit hoofde van artikel 27 van Pro richtlijn 2004/38 genomen besluit tot weigering van toegang ten grondslag liggen, omdat de noodzakelijke bescherming van de staatsveiligheid niet tot gevolg mag hebben dat de belanghebbende zijn recht om te worden gehoord wordt ontnomen en dat, bijgevolg, zijn recht op een voorziening in rechte als bedoeld in artikel 31 van Pro die richtlijn ondoeltreffend wordt.
staat het aan de bevoegde nationale rechterom te beoordelen of en in welke mate de beperkingen op de rechten van verweer van verzoeker, welke met name voortvloeien uit het feit dat het bewijsmateriaal en de redenen waarop het uit hoofde van genoemd artikel 27 genomen Pro besluit is gebaseerd niet nauwkeurig en volledig bekend zijn gemaakt,
van dien aard zijn dat zij van invloed zijn op de bewijskracht van het vertrouwelijke bewijsmateriaal.”
allebetrokkenen (fiscus, belanghebbende en rechter) onbekend bleef. In de hiervóór vermelde arresten Dalmine en ZZ lag dat anders. In het arrest Dalmine ging het om ‘geheim’ bewijs dat de administratie en de rechter wel bekend was; alleen belanghebbende was van de inhoud hiervan niet op de hoogte. Hetzelfde geldt voor het geheime bewijs dat onderwerp van discussie was in het arrest ZZ. In deze zaken vond een belangenafweging plaats tussen enerzijds het belang/het recht op inzage in het dossier en anderzijds het belang van geheimhouding van vertrouwelijke informatie, dan wel het belang van de staat(sveiligheid). Een dergelijke belangenafweging is in de onderhavige zaak door het HvJ niet gemaakt.
noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Hij dient daarbij
een afweging te maken tussen het belang van de staatsveiligheid dat wordt gediend met vertrouwelijkheid en het belang van de wederpartij bij kennisneming van het tegen haar ingebrachte bewijs. Bij die afweging betrekt de rechter de aard van de zaak en de resterende mogelijkheden voor de wederpartij om, overeenkomstig de eisen van een procedure op tegenspraak en gelijkheid van proceskansen, zijn standpunt in het geding te bepalen en naar voren te brengen. Aan de hand van die afweging dient de rechter te beoordelen of de onthouding van kennisneming is gerechtvaardigd. De beslissing die de rechter op basis van die beoordeling neemt, dient toereikend te zijn gemotiveerd.”
9.Bewijsregels in het nationale recht
Formeel belastingrechtvoegt Feteris hier nog aan toe (met mijn cursivering): [46]
waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen. Wanneer een partij bijvoorbeeld
enkel verwijst naar de conclusie van het onderzoekvan een deskundige, en de andere partij de juistheid van die conclusie betwist, mag de rechter die conclusie niet zonder nadere bewijsvoering overnemen. De HR verlangt dat specifieke gegevens die uit het onderzoek zijn gebleken in het proces worden aangevoerd, zodat daarover een debat tussen partijen kan plaatsvinden.” [47]
bewijsvoering in beginsel vrij in de keuze van de daarvoor te gebruiken bewijsmiddelen.”
Hij is daarom niet gebonden aan een oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex, zelfs niet als aan hem dezelfde bewijsmiddelen ter beschikking staan als aan de strafrechter(vgl. HR 10 maart 1999, nr. 33840, ECLI:NL:HR:1999:AA2713, BNB 1999/209).” [50]
tijdens de beroepsprocedure [51] gevorderd dat belanghebbende haar boekhouding ter inzage zou verstrekken. De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs dat door de inspecteur op die (onbevoegdelijke) wijze was verkregen, buiten beschouwing moest blijven.
omdat dit gebruik om andere redenen zozeer kan indruisen tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit moet leiden tot bewijsuitsluiting.
gewoon een bewijsmiddeldat zowel de douaneautoriteiten als de Nederlandse rechterlijke instanties, mede rekening houdend met de door Unitrading aangevoerde argumenten en met het door haar aangedragen bewijsmateriaal, als toereikend bewijs van de echte oorsprong van de goederen hebben kunnen beschouwen. Zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, zijn bij gebreke van een regeling van de Unie betreffende het begrip bewijs, namelijk alle bewijsmiddelen die het procesrecht van de lidstaten kent in soortgelijke procedures als die waarin artikel 243 van Pro het douanewetboek voorziet, in beginsel ontvankelijk [arrest Sony Supply Chain Solutions (Europe), C‑153/10, EU:C:2011:224, punt 41 en de aldaar aangehaalde rechtspraak].
Zelfs ingeval een dergelijk bewijsmiddel belangrijk, ja zelfs beslissend, is voor de beslechting van het betrokken geding, kan de ontvankelijkheid ervan niet ter discussie worden gesteld wegens het enkele feit dat dit bewijsmiddel noch door de betrokken partij noch door de aangezochte rechterlijke instantie volledig kan worden geverifieerd, zoals met de onderzoeksresultaten van het Amerikaanse laboratorium in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn. (…)”
naar evenredigheidte verdelen. Vuistregel daarbij is: ‘wie stelt, bewijst’. [56] Ik citeer (en cursiveer) uit het arrest van de Hoge Raad van 21 december 1927, B. 4176:
redelijke verdeling van den bewijslastmedebrengt, dat een belanghebbende, indien hij beweert dat van een vaststaand bruto inkomen of winstbedrag bepaalde onkosten, afschrijvingen of dergelijke in mindering moeten worden gebracht, zulks den raad aannemelijk heeft te maken (…)”.
Bewijslast in belastingzaken [57] komt Koopman op grond van de literatuur en de jurisprudentie tot de volgende standaardregels omtrent bewijslastverdeling:
ECLI:NL:HR:1993:ZC5251,BNB 1993/138, m.nt. Den Boer, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk de vierde regel verwierp. In een eerder arrest, uit 1988 [59] , legde de Hoge Raad de bewijslast echter wel bij degene die de bewijsnood had veroorzaakt. Koopman vraagt zich af of de omstandigheid dat een van de partijen het best in staat is om bewijs te leveren of de bewijsnood heeft veroorzaakt, ook dragend is voor de toedeling van de bewijslast aan die partij in een concrete zaak of dat wellicht andere redenen ten grondslag hebben gelegen aan de wijze waarop de bewijslast is verdeeld. Meer recent kan in dit verband worden gewezen op het arrest van 12 juli 2013 [60] betreffende de heffing van omzetbelasting. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat Hof ’s-Hertogenbosch bij de verdeling van de bewijslast rekening had moeten houden met de omstandigheden die door de staatssecretaris van Financiën omschreven waren als het veroorzaken van bewijsnood door de belastingplichtige.
Formeel belastingrechtdestilleert Feteris uit de rechtspraak van de Hoge Raad twee hoofdregels (vergelijk standaardregel 1 van Koopman): [61]
duidelijk beter in staat isdan de andere om het bewijs te leveren, zal de rechter de bewijslast soms bij de eerstbedoelde partij leggen. Zo is het in het algemeen erg moeilijk te bewijzen dat een bepaalde gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden. (…)
partij die niet bereid is om informatie te verstrekken,zeker wanneer de rechter hem daarom heeft gevraagd (…). Evenzo wordt de bewijslast soms gelegd bij de partij die de
vaststelling van de feiten heeft bemoeilijkt,bijvoorbeeld door transacties niet of onjuist vast te leggen.
in strijd zijn met een ervaringsregel of met een gebruikelijke gang van zaken,krijgt in een aantal gevallen de bewijslast of wordt althans geconfronteerd met een weerlegbaar vermoeden dat zijn stelling onjuist is. (…).”
nietuit Pakistan afkomstig is.
aanvullend douanerechten willen navorderen op de grond dat ingevoerde knoflookbollen van oorsprong niet overeenkomstig de op de aangifte vermelde gegevens uit Pakistan komen maar uit China, op deze autoriteiten de last rust de oorsprong China te bewijzen.(…)”
gebleken. [68]
dat neemt niet weg dat in geval van betwisting de waardering van dat bewijs aan de nationale rechter is voorbehouden.”
dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, vrijstaat om van het beschikbare bewijsmateriaal tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomten datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.
Deze beslissing behoeft geen motivering, behoudens in bijzondere gevallen,waarvan in dit geval geen sprake is.”
ontzenuwing van het vermoeden niet is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat de ten name van C gerestitueerde bedragen hem niet ten goede zijn gekomen; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, redelijkerwijs moet worden betwijfeld of hij die bedragen heeft ontvangen. (…)”
beslissendis voor de beslechting van het geschil – waarbij ik opmerk dat het HvJ niet zegt ‘
het enige is’– heb ik er wat moeite mee dat de rechter in fiscalibus (bij weerspreking daarvan) niet eens hoeft te motiveren waarom hij het anonieme bewijs doorslaggevend acht. Dit te meer omdat dergelijk bewijs in het civiele en in het strafrecht niet eens toelaatbaar is, althans niet als dit het enige bewijsmiddel is. Ik pleit er dan ook voor om een situatie als de onderhavige, waarbij (voor alle betrokkenen) ‘oncontroleerbaar’ bewijs het enige bewijsmiddel van een partij is, te beschouwen als een ‘bijzondere omstandigheid’ als bedoeld in het arrest HR BNB 2010/323 (zie punt 9.5.4 van deze conclusie). Dat betekent dat de rechter het gebruik c.q. de bewijskracht van dergelijk oncontroleerbaar bewijs wél moet motiveren.
10.Gelijkwaardigheid en doeltreffendheid
nietertegen verzet dat het door de douaneautoriteiten volgens de nationale procesregels geleverde bewijs van de oorsprong van ingevoerde goederen berust op de resultaten van onderzoek door een derde waarover die derde geen opening van zaken wil geven, noch aan de douaneautoriteiten noch aan de aangever, waardoor de verificatie of de weerlegging van de juistheid van de gebruikte conclusie wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt,
mits het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel worden geëerbiedigd.Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om te onderzoeken of dit in het hoofdgeding het geval is geweest.”
zonder onderscheid van toepassing is op vorderingen die zijn gebaseerd op een schending van het Unierecht en vorderingen die zijn gebaseerd op een schending van het nationale recht,voor zover deze vorderingen eenzelfde voorwerp en oorzaak hebben (zie arrest Littlewoods Retail e.a., EU:C:2012:478, punt 31).”
en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel)(zie, laatstelijk, arrest Edis, reeds aangehaald, punten 19 en 34, en arrest van 15 september 1998, Spac, C-260/96, Jurispr. blz. I-4997, punt 18).”
en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).Deze overwegingen gelden ook in het bijzonder voor de bewijsregels (zie in die zin arrest Direct Parcel Distribution Belgium, C-264/08, EU:C:2010:43, punten 33 en 34 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).” [78]
Bij deze beoordeling zal de verwijzende rechter meer in het bijzonder moeten nagaan of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bewijsmiddel betrekking heeft op een technisch gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en of het een doorslaggevende invloed kan hebben op zijn beoordeling van de feitenen, indien dit het geval mocht zijn, of Steffensen nog over een
werkelijke mogelijkheidbeschikt om dit bewijsmiddel
op zinvolle wijze toe te lichten.
zou hij deze resultaten als bewijsmiddel moeten uitsluiten om die schending te voorkomen.”