Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.2, dat klaagt dat het hof het belang van de context voor de interpretatie van de woorden van de minister in rechtsoverweging 3.4.6 op onbegrijpelijke wijze heeft gemarginaliseerd en voorbij is gegaan aan de door Friesland Vlees aangevoerde omstandigheden. Volgens het subonderdeel ziet het hof er althans aan voorbij dat door de afsluitende vraag van de interviewster over de voedselkwaliteit de opmerkingen van de minister geheel in het teken kwamen te staan van de kwaliteit van het vlees.
voorafgaandaan de uitzending beschikte en dit materiaal in de rechtsoverwegingen 3.5.5-3.5.8 besproken. Met betrekking tot de vier anoniem gebleven informanten, heeft het hof, in cassatie niet bestreden in rechtsoverweging 3.5.6 als volgt geoordeeld:
subonderdeel 4.2is de overweging van het hof in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk gemotiveerd. Het subonderdeel verwijst daarbij naar (i) haar stelling in reactie op de beelden dat slechts de keuringsartsen van de VWA kunnen beoordelen of een aangevoerd rund had mogen worden getransporteerd of voor menselijke consumptie geschikt is; (ii) diverse verklaringen van medewerkers van de VWA (zoals de dierenarts [betrokkene 4] en het hoofd toezicht [betrokkene 5]) in het voorlopig getuigenverhoor, waaruit blijkt dat niet enkel op basis van deze beelden valt af te leiden dat het gaat om zieke of sterk vermagerde dieren die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie en (iii) de antwoorden van de minister naar aanleiding van op 15 mei 2008 gestelde vragen, waarin zij heeft aangegeven dat de AID geen misstanden bij Friesland Vlees heeft gevonden en dat er met de koeien van Friesland Vlees in het algemeen niets mis is.
voorafgaandaan de uitzending beschikte en dit materiaal besproken. Het hof heeft aldus de in het Gemeenteraadslid-arrest onder a-d genoemde omstandigheden tegen elkaar afgewogen. Vervolgens heeft het hof daaruit de in rechtsoverwegingen 3.5.6 (in cassatie niet bestreden) en in 3.5.17 de conclusie getrokken dat de Tros bij hetgeen in het programma aan de orde is gesteld, niet lichtvaardig te werk is gegaan. In dit oordeel ligt een toetsing aan de vereiste onderzoeksplicht [39] van de Tros besloten [40] .
Subonderdeel 5.1klaagt in de eerste plaats dat het hof ook met dit oordeel miskent dat voor onthullingsjournalistiek, die pretendeert misstanden op grond van een gedegen onderzoek aan de kaak te stellen, strenge eisen gelden voor de omvang en de deugdelijkheid van het te verrichten onderzoek, zeker waar het gaat om ernstige verdenkingen met voor Friesland Vlees ernstige gevolgen.
Onderdeel 6is gericht tegen rechtsoverweging 3.5.13. Deze rechtsoverweging betreft de beoordeling door het hof van de (in rechtsoverweging 3.5.11 opgenomen) stelling van de Tros dat uit stukken die zij grotendeels na de uitzending heeft verkregen, blijkt dat de handelwijze van Friesland Vlees gevaar voor de voedselveiligheid opleverde en van het (in rechtsoverweging 3.5.12 opgenomen) daartegen door Friesland Vlees gevoerde verweer. Het hof heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:
subonderdeel 6.1, acht dit oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu het hof ook hier aan enkele essentiële stellingen van Friesland Vlees voorbij is gegaan. Friesland Vlees heeft er mede op gewezen dat haar stelling dat zij geen afgekeurd vlees op de markt heeft gebracht en de voedselveiligheid in het slachthuis niet in gevaar is geweest, wordt ondersteund door zowel het intern onderzoek van de I-G van de VWA als door de minister in haar brief van 9 mei 2008, waarin is verklaard dat uit de dagelijkse controles van de VWA in het slachthuis te Leeuwarden niet is gebleken dat er bij de verwerking van slachtvee risico’s zijn opgetreden voor de voedselveiligheid en/of de volksgezondheid, alsook door haar latere bevestiging dat de voedselveiligheid niet in het geding is geweest.
Onderdeel 7bouwt, als gezegd, voort op de onderdelen 4 tot en met 6 en deelt daarmee in hun lot.
Onderdeel 8mist ook zelfstandige betekenis en faalt mitsdien [42] .