Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
HR BNB 2014/219 [2] ) oordeelde de Hoge Raad onder meer dat de introductie van de kansspelbelasting voor kansspelautomaten op het niveau van de regelgeving niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [3] . De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar hof Den Haag voor de beoordeling van de vraag of de introductie van de kansspelbelasting voor kansspelautomaten leidt tot een ‘individuele en buitensporige last’ voor belanghebbende. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en belanghebbende een schadevergoeding toegekend van (maar liefst) € 1.364.740.
HR BNB 2011/65volgt dat bij de toetsing of sprake is van een dergelijke last de belanghebbende aannemelijk moet maken dat de regimewijziging zich in haar geval sterker liet voelen dan in het algemeen.
HR BNB 2011/65: het Hof had aan de hand van de door belanghebbende aangedragen omstandigheden moeten onderzoeken of de regimewijziging zich in belanghebbendes geval sterker liet voelen dan in het algemeen. Indien moet worden aangenomen dat het Hof dergelijke omstandigheden wel heeft meegewogen, acht ik zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De zaak moet mijns inziens nogmaals worden verwezen.
kansspelautomaten. Hiermede vervalt voor u de plicht om over de kansspelautomatenomzet btw af te dragen. Als gevolg daarvan gaat [belanghebbende] over tot de hierboven gehanteerde berekeningssystematiek."
3.De eerste cassatieronde en het geding voor het verwijzingshof
HR BNB 2014/219was onder meer de vraag aan de orde of de keuze van de wetgever om kansspelautomaten naar dezelfde grondslag in de heffing van kansspelbelasting te betrekken als tafelspelen in een casino, strijdig is met de in artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro [6] opgenomen discriminatieverboden. De Hoge Raad oordeelde daarover als volgt:
4.De tweede cassatieronde
eerste cassatiemiddelmerkt de Staatssecretaris op dat het Hof enerzijds een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij zijn oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een individuele en buitensporige last en anderzijds dat het Hof zich daarbij heeft gebaseerd op onvolledige informatie.
tweede cassatiemiddelvoert de Staatssecretaris aan dat op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een schadevergoeding kan worden toegekend als het Hof het beroep gegrond verklaart. Nu het Hof de op aangifte voldane kansspelbelasting handhaaft, is het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro volgens de Staatssecretaris niet mogelijk.
derde cassatiemiddelvoert de Staatssecretaris aan dat het Hof artikel 8:73 Awb Pro verkeerd heeft toegepast en bovendien de wijze van vaststelling van de schadevergoeding onjuist/onbegrijpelijk is.
eerste cassatiemiddelstelt belanghebbende dat het oordeel van het Hof omtrent de individuele en buitensporige last toereikend is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is. Bovendien zijn de klachten van de Staatssecretaris zodanig verweven met oordelen van feitelijke aard dat deze in cassatie niet kunnen worden getoetst. Wat betreft het
tweede cassatiemiddelstelt belanghebbende dat de Staatssecretaris heeft miskend dat het Hof het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard en de uitspraak op bezwaar heeft vernietigd, zodat het het Hof volledig vrij stond een schadevergoeding toe te kennen. Belanghebbende meent dat het
derde cassatiemiddelvan de Staatssecretaris berust op een verkeerde lezing van de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad. Naar de mening van belanghebbende zijn de verschuldigdheid van kansspelbelasting en de vrijstelling voor de btw communicerende vaten en past het oordeel van het Hof volledig binnen de verwijzingsopdracht. Tot slot merkt belanghebbende op dat het door het Hof gehanteerde begrip ‘decent profit’ rechtstreeks voortvloeit uit de rechtspraak van het EHRM en dat het Hof zonder schending van enige rechtsregel invulling heeft gegeven aan dit begrip. De wijze waarop het Hof dit heeft gedaan is zodanig verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat zijn oordeel in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst, aldus belanghebbende.
incidentele cassatiemiddelstelt belanghebbende dat naar haar mening in het oordeel van het Hof ligt besloten dat de heffing van kansspelbelasting in haar geval onrechtmatig is. Om die reden meent zij recht te hebben op de wettelijke rente over de toegekende schadevergoeding. Belanghebbende stelt primair dat zij aanspraak maakt op de wettelijke rente vanaf het jaar waarin de onrechtmatige heffing van kansspelbelasting heeft plaatsgevonden. Subsidiair maakt zij aanspraak op de wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak van het Hof.
5.Wijziging heffingsregime met betrekking tot kansspelautomaten
HR BNB 2014/219het wettelijk kader reeds (uitgebreid) hebben besproken, volsta ik hier met slechts een zeer beknopte beschrijving van de per 1 juli 2008 gewijzigde wetgeving.
6.Artikel 1 EP Pro: individuele en buitensporige last?
HR BNB 2014/219heeft de Hoge Raad zoals gezegd geoordeeld dat de regimewijziging voor kansspelautomaten ‘lawful’ is, een ‘legitimate aim’ nastreeft [16] en op het niveau van de regelgeving niet in strijd is met het ‘fair balance’-criterium. [17] Het Hof hoefde dan ook alleen te onderzoeken of de regimewijziging in het geval van belanghebbende in strijd is met de vereiste fair balance op de grond dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Ik herhaal de verwijzingsopdracht:
eerste cassatiemiddelkomt de Staatssecretaris op tegen dit oordeel van het Hof. Enerzijds meent de Staatssecretaris dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij zijn oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last dan wel dat hij zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Anderzijds is de Staatssecretaris van mening dat het Hof aan voornoemd oordeel niet de juiste gegevens ten grondslag heeft gelegd (zie meer uitgebreid de punten 4.3 en 4.4 van deze conclusie).
Gáll [19] :
Rosenzweig [23] , verwoordt het EVRM dit als volgt (cursivering van mijn hand):
The requisite balance will not be found if the person concerned has had to bear an individual and excessive burden(see, among other authorities, Sporrong and Lönnroth v. Sweden, judgment of 23 September 1982, Series A no. 52, pp. 26 and 28, §§ 69 and 73). In other words, there must be a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised (see, for instance, James and Others v. the United Kingdom, judgment of 21 February 1986, Series A. no. 98, p. 34, § 50).”
buitensporigzijn
.Ik verwijs in dit verband onder meer naar punt 167 van
Hutten-Czapska [24] (cursivering CE):
the person concerned had to bear a disproportionate and excessive burden(see James and Others, cited above, § 50; Mellacher and Others, cited above, § 48; and Spadea and Scalabrino v. Italy, 28 September 1995, § 33, Series A no. 315-B).”
Mellacher e.a. [26] :
N.K.M. [27] spreekt het EHRM niet over een buitensporige last, maar over een onredelijke last of een fundamentele ondermijning van de financiële situatie van de belastingplichtige (met mijn cursivering):
in the applicant’s specific circumstances, the application of the tax law imposed an
unreasonable burden on her or fundamentally undermined her financial situation– and thereby failed to strike a fair balance between the various interests involved (see M.A. and 34 Others v. Finland (dec.), no. 27793/95, 10 June 2003; Imbert de Trémiolles v. France (dec.), nos. 25834/05 and 27815/05 (joined), 4 January 2008; Spampinato v. Italy (dec.), no. 69872/01, 29 March 2007; and Wasa Liv Ömsesidigt, Försäkringsbolaget Valands Pensionsstiftelse v. Sweden, no. 13013/87, Commission decision of 14 December 1988, Decisions and Reports 58, p. 186).”
HR BNB 2011/248 [28] overwoog de Hoge Raad dat voor de vaststelling of sprake is van een buitensporige last (met mijn cursivering):
in de gegeven omstandighedengetroffen wordt door de desbetreffende verplichting.”
N.K.M.In die zaak, waarin sprake was van een in verhouding tot het normale tarief (16%) relatief zeer hoog gemiddeld tarief tussen 52 en 60% [29] , overwoog het EHRM:
HR BNB 2016/163 [30] . In dit arrest, één van de crisisheffingsarresten, overweegt de Hoge Raad dat bij de beoordeling of sprake is van fair balance:
N.K.M.:
Hutten-Czapskaen punt 42 van
N.K.M.). Onder verwijzing naar
Hutten-Czapskais volgens Gerards sprake van een ‘individual and excessive burden’ indien de individuele belangen veel zwaarder worden getroffen dan redelijk is gelet op de doelstellingen van de maatregel of het besluit in kwestie. [31] Het EHRM overweegt in
Hutten-Czapskaonder meer als volgt:
HR BNB 2011/248overweegt de Hoge Raad dat het onderzoek naar het bestaan van een individuele en buitengewone last mede feitelijk van aard is. [32] Wat mij betreft geeft de Hoge Raad de meest concrete toetsingsmaatstaf voor de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last in
HR BNB 2011/65 [33] :een belanghebbende moet aannemelijk maken dat – in dit geval de regimewijziging – “zich in [haar] geval sterker liet voelen dan in het algemeen”. De Hoge Raad overwoog:
HR BNB 2014/219:
Vékony [37] . In die zaak ging het om een detailhandelaar die alcohol en tabaksproducten verkocht en daartoe over de nodige vergunningen beschikte. Met ingang van 1 juli 2013 was de verkoop van tabak een staatsmonopolie geworden. Detailhandelaren mochten met ingang van die datum alleen tabak verkopen als zij beschikten over een nieuwe vergunning. Zonder motivering werd belanghebbendes verzoek om een nieuwe vergunning afgewezen, terwijl andere aanvragers, zonder ervaring met de verkoop van tabak, soms wel vijf nieuwe vergunningen kregen toebedeeld. Naar de mening van de belanghebbende in deze zaak was sprake van vriendjespolitiek. Doordat hij geen tabak meer mocht verkopen, en de verkoop van overige producten niet winstgevend was, voelde belanghebbende zich genoodzaakt te stoppen met zijn winkel. Hij heeft hiervoor geen compensatie gekregen van de Hongaarse overheid. Op basis van alle omstandigheden van dit geval, met name het gebrek aan transparantie en de schijn van willekeur, oordeelt het EHRM dat in deze zaak sprake is van een individuele en buitensporige last. Het Hof nam bij dit oordeel de bijzondere historische omstandigheden expliciet mee.
Megadat.com [39] , ook over ‘regulering van eigendom’, illustreert dit mooi. Nadat het EHRM de specifieke omstandigheden van het geval stuk voor stuk heeft behandeld, vat hij zijn afwegingen als volgt samen:
Broniowski [40] . Het EHRMoverweegt dat die rechter:
Varkenshoudersarrest [42] .In dit arrest stond onder meer de vraag centraal of (een deel van) de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) onverbindend moest worden verklaard of buiten werking moest worden gesteld vanwege strijd met artikel 1 EP Pro. Kort gezegd vervielen met deze wet de latente (niet-gebruikte) mestproductierechten van varkenshouders en werden de gebruikte mestproductierechten eerst met 10% en later nog eens met 15% gekort. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat niet kon worden gezegd dat de wetgever met de Whv buiten de hem toekomende (ruime) beoordelingsmarge was getreden. De Hoge Raad bood een deel van de getroffen varkenshouders echter een helpende hand door te oordelen dat, ondanks de omstandigheid dat de wetgever niet buiten zijn beoordelingsmarge was getreden, de bestreden maatregelen van de Whv voor een aantal van hen “in verband met bijzondere, niet voor alle varkenshouders geldende, feiten en omstandigheden een ‘individual and excessive burden’ vormen en de desbetreffende bepalingen van de Whv om die reden voor hen buiten toepassing moeten worden gelaten, althans zolang niet is voorzien in een adequate financiële compensatie.” [43] . Na verwijzing oordeelde hof Arnhem dat de Staat in elk geval ten opzichte van één varkenshouder artikel 1 EP Pro had geschonden en dat de Staat zich daardoor jegens die varkenshouder schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad. [44]
Varkenshoudersarrestwellicht verder gaat dan de Straatsburgse rechtspraak vereist. [45] Ik citeer uit de noot van Alkema en Koopmans bij het
Varkenshoudersarrestin NJ 2002, 469:
Whv. Nu de HR toch een opdracht tot concrete toetsing heeft gegeven rijst de vraag of die opdracht is geïnspireerd door de gebleken bereidheid van de Minister tot verdere tegemoetkomingen dan wel berust op een dwingende uitleg van art. 1, 1e protocol.
NJ588 noot § 3; doch ook HR 10 november 1989,
NJ1990, 628). Te meer, daar in de Europese jurisprudentie — zoals die ook in het onderhavige arrest en in de conclusie van de plv. P‑G is weergegeven — het vertrouwensbeginsel niet voorkomt. Het is misschien speculatief, maar dit zou dan betekenen dat de HR de feitenrechter opdraagt de wet toch aan een (Nederlands) algemeen rechtsbeginsel te toetsen.”
HR BNB 2011/65(zie punt 6.19 van deze conclusie): de belanghebbende moet aannemelijk maken dat de regimewijziging zich in haar geval sterker liet voelen dan in het algemeen.
in een structurele verliespositie zouden komen te verkeren. (…)”
N.K.M.genoemd criterium: de heffing “fundamentally undermined her financial situation”.
álleomstandigheden van het geval moeten worden afgewogen. De structureel verliesgevende positie van belanghebbende kan één van die omstandigheden zijn. Andere omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden zijn onder meer de in de door Tjepkema gegeven vuistregels (zie punt 6.6 van deze conclusie) terugkomende omstandigheden zoals de ernst van de schending, (de afwezigheid van) een aangeboden schadevergoeding, rechtsonzekerheid en gerechtvaardigde verwachtingen en de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen. Meer concreet kan in de onderhavige zaak worden gedacht aan de wijze waarop de nieuwe regelgeving is geïmplementeerd, de compenserende maatregelen die zijn getroffen, de reeds bestaande regulering van de kansspelautomatenbranche en de wijze waarop belanghebbende heeft gereageerd of kon reageren op de veranderde belastingheffing.
Varkenshoudersarresten de daarop volgende jurisprudentie van de Hoge Raad kan belanghebbende niet volstaan met de enkele verwijzing naar de gevolgen van de invoering van de kansspelbelasting voor de gehele branche, maar moet zij aannemelijk maken dat specifiek voor haar geldende omstandigheden leiden tot een individuele en buitensporige last. Belanghebbende heeft getracht dit te doen in punt 5.4 en verder van haar conclusie na verwijzing [49] . In die punten becijfert belanghebbende wat de gevolgen van de introductie van de kansspelbelasting voor kansspelautomaten voor haar onderneming zijn geweest. Ook wijst belanghebbende op specifieke voor haar geldende omstandigheden zoals de verliesneming op vorderingen op horecaondernemers, de afname van de verstrekking van kredieten aan horecaondernemers, de verhoging van de huur in verband met het vervallen van de optie belaste verhuur, de verlaging van het krediet door Van Lanschot Bankiers en een verhoging van de rente, het uitstellen van investeringen en beslaglegging door de fiscus. De Inspecteur is in zijn conclusie na verwijzing op deze omstandigheden ingegaan.
HR BNB 2011/65: het Hof had aan de hand van de door belanghebbende aangedragen omstandigheden moeten onderzoeken of de regimewijziging zich in belanghebbendes geval sterker liet voelen dan in het algemeen. Indien moet worden aangenomen dat het Hof dergelijke omstandigheden wel heeft meegewogen, acht ik zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het oordeel dat sprake is van een ‘individuele buitensporige last’ volgt mijns inziens niet afdoende uit de (cijfermatige) gegevens die het Hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ik meen dat verwijzing moet volgen voor nader onderzoek op dit punt.
eerste cassatiemiddelvan de Staatssecretaris slaagt derhalve.
7.Gevolgen schending artikel 1 EP Pro: schadevergoeding
tweede cassatiemiddelop tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbendes verzoek om schadeloosstelling moet worden gehonoreerd.
derde cassatiemiddel. Met betrekking tot de wijze van vaststelling van de schadevergoeding is de Staatssecretaris van mening dat het Hof slechts een schadevergoeding had kunnen toekennen voor de periode juli 2008 (en niet voor juli 2008 - december 2011) en dat de schadevergoeding alleen kan zien op de heffing van kansspelbelasting en niet op de omstandigheid dat geen recht op aftrek van voorbelasting meer bestaat. Ook ziet artikel 8:73 Awb Pro niet op schade veroorzaakt door rechtmatig handelen, aldus de Staatssecretaris. Zie meer uitgebreid de punten 4.7 en 4.8 van deze conclusie.
N.K.M.oordeelt het EHRM dat sprake is van een schending van artikel 1 EP Pro (zie punt 76 van het arrest). Het EHRM verbindt aan de schending zonder al te veel omhaal het gevolg dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding. Het EHRM stelt deze vergoeding vast op € 11.000 (voor materiële en immateriële schade). Ik citeer en cursiveer:
Having regard to the fact that, in the absence of the 98% tax rate, the entirety of the applicant’s severance would have been in all likelihood subject to the general personal income taxation, the Court awards the applicant EUR 11,000 in respect of pecuniary and non-pecuniary damage combined.”
HR BNB 2007/242 [63] leid ik af dat een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro kan worden toegekend indien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De Hoge Raad oordeelt in dat punt:
de uitspraak op bezwaar moeten vernietigen en daarbij op grond van artikel 8:72, lid 3, Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor wat de daarbij gehandhaafde naheffingsaanslag betreft, in stand blijven.
Het verwijzingshof zal dan opnieuw moeten beslissen of er gronden zijn voor een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 Awb Pro (…).
ongegrond wordt verklaard. Zie punt 7.34 en verder van deze conclusie.
tweede cassatiemiddelvan de Staatssecretaris faalt dan ook.
Brasserie du Pêcheur en Factortame [65] oordeelde het HvJ voor het eerst dat particulieren recht hebben op een schadevergoeding wanneer lidstaten het Gemeenschapsrecht (thans: Unierecht) schenden. Voor dit recht op een schadevergoeding gelden drie voorwaarden:
Brasserie du Pêcheur en Factortamedaaraan toe:
N [68] .In deze Nederlandse zaak stond de vrijheid van vestiging centraal. Meer specifiek ging het in deze zaak om de zekerheid die moest worden gesteld voor het verkrijgen van uitstel van betaling voor de belasting die was verschuldigd over de latente waardeaangroei van een aandelenpakket bij verhuizing naar het buitenland. Het HvJ oordeelde in deze zaak onder meer dat de nationale rechter bij de beoordeling of sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval (punt 65).
HR BNB 2014/219geoordeeld dat de introductie van de kansspelbelasting voor kansspelautomaten op het niveau van de regelgeving niet in strijd is met artikel 1 EP Pro.
Brasserie du Pêcheur en Factortame:
ongegrondwordt verklaard. De Hoge Raad verklaart artikel 8:73 Awb Pro in die situaties
van overeenkomstige toepassing. Zie meest recent het zogenoemde overzichtsarrest
HR BNB 2016/140 [71] :
d) Gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn
HR BNB 2011/232 [72] (cursivering van mijn hand):
Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de heffingsambtenaar tot vergoeding van die schade worden veroordeeld (vgl. de in de onderdelen 10.2, 10.5 en 10.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters).”
HR BNB 2011/232zijn twijfel over de door de Hoge Raad ingeslagen weg:
HR BNB 2009/262 [73] , betreffende de vergoeding van de kosten van een zekerheidsstelling (vervolg
N.)
,oordeelde de Hoge Raad dat hof Arnhem de rechtsgevolgen van de vernietigde aanslag in stand had moeten laten en belanghebbende een schadevergoeding had moeten toekennen voor de kosten van de zekerheidstelling. Hof Arnhem was tot de slotsom gekomen dat de belanghebbende geen recht had op een schadevergoeding omdat geen sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht. [74] De Hoge Raad oordeelde evenwel dat:
N.K.M.volgt niet alleen dát een schadevergoeding kan worden toegekend wanneer sprake is van een schending van artikel 1 EP Pro, maar ook hoe die schadevergoeding door het EHRM wordt vastgesteld, althans dat het EHRM bij de vaststelling van de schadevergoeding rekening houdt met de belastingheffing zoals die zou hebben plaatsgevonden zonder toepassing van de regeling die strijd oplevert met artikel 1 EP Pro (zie punt 89 van
N.K.M.).
N.K.M.zou in de onderhavige zaak – indien sprake is van een ongerechtvaardigde schending van artikel 1 EP Pro en wordt overgegaan tot het toekennen van een schadevergoeding – aan belanghebbende dus een schadevergoeding kunnen worden toegekend waarbij rekening wordt gehouden met het verschil tussen de kansspelbelasting die belanghebbende moet betalen en de omzetbelasting die belanghebbende zou zijn verschuldigd (rekening houdend met het recht op aftrek) als het kansspelbelastingregime niet van toepassing was.
Nicolaas Nobel e.a. [75] In deze zaak – en andere zaken waarin deze term terugkomt [76] – gaat het steeds om vastgoedeigenaren die claimen niet genoeg opbrengst te kunnen genereren door huurbeperkende maatregelen. In een zuivere belastingzaak ben ik de term decent profit (nog) niet tegengekomen. Bovendien wordt belanghebbende door de introductie van het kansspelbelastingregime geenszins beperkt met betrekking tot door haar te genereren bruto opbrengst.
derde cassatiemiddelvan de Staatssecretaris.
8.Vergoeding wettelijke rente
HR BNB 2014/180 [77] leid ik af dat ook voor wat betreft de vergoeding van wettelijke rente dient te worden aangesloten bij het civiele recht en dat daarvoor – anders dan de Staatssecretaris voorstaat – geen apart verzoek hoeft te worden gedaan. In punt 3.4 van
HR BNB 2014/180wijst de Hoge Raad naar de punten 6.32 tot en met 6.35 van de conclusie van A-G IJzerman [78] . Ik citeer uit voornoemde conclusie (zonder dat ik de voetnoten overneem):
incidentele beroep in cassatie.
9.Recapitulatie
eerste cassatiemiddelkomt de Staatssecretaris op tegen het oordeel van het Hof dat in het geval van belanghebbende de introductie van het kansspelbelastingregime, leidt tot een individuele en buitensporige last. De Staatssecretaris meent dat het Hof enerzijds een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een individuele en buitensporige last en anderzijds dat het Hof zich bij dit oordeel heeft gebaseerd op onvolledige informatie. Het middel slaagt. Het oordeel berust hetzij op een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het onvoldoende gemotiveerd. Voorts meen ik met de Staatssecretaris dat het Hof zijn oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last heeft gebaseerd op onjuiste, c.q. onvolledige cijfermatige gegevens.
tweede cassatiemiddel. De Staatssecretaris is van mening dat niet aan alle voorwaarden van artikel 8:73 Awb Pro is voldaan, meer specifiek dat het beroep van belanghebbende niet gegrond is verklaard. Dit middel faalt. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende wel degelijk gegrond verklaard. Daaraan doet niet af dat het Hof de heffing van kansspelbelasting in stand laat. Artikel 8:73 Awb Pro is (van overeenkomstige) toepassing.
derde cassatiemiddelbestrijdt de Staatssecretaris de wijze waarop het Hof de schadevergoeding heeft vastgesteld en de hoogte daarvan. Dit middel slaagt. Onjuist is dat het Hof een schadevergoeding toekent over een langere periode dan het onderhavige tijdvak en voor schade die niet is geleden door belanghebbende maar door haar dochtermaatschappijen. Ook kan ik niet volgen waarom het Hof bij het toekennen van de schadevergoeding rekening houdt met de daling van het resultaat van belanghebbende en zich niet beperkt tot de belasting die belanghebbende méér is verschuldigd door de regimewijziging per 1 juli 2008.
incidentele cassatiemiddelvan belanghebbende. Indien komt vast te staan dat zij recht heeft op een schadevergoeding, heeft zij eveneens recht op vergoeding van de wettelijke rente vanaf het moment van het onrechtmatige handelen van de Inspecteur.