ECLI:NL:RBZWB:2016:4828
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Prejudicieel verzoek
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over teruggaaf dividendbelasting door buitenlandse beleggingsinstellingen
Belanghebbende, een in het buitenland gevestigd beleggingsfonds, verzocht teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting over de jaren 2003 tot en met 2006. De inspecteur wees deze verzoeken af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De kern van het geschil is of belanghebbende vergelijkbaar is met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling (fbi) die recht heeft op teruggaaf.
De rechtbank overweegt dat het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (BNB 2015/203) stelt dat een buitenlands fonds niet vergelijkbaar is met een Nederlandse fbi omdat het niet inhoudingsplichtig is voor dividendbelasting in Nederland. Belanghebbende betwist deze maatstaf en wijst op recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (arrest Miljoen) die mogelijk een andere vergelijkingsmaatstaf hanteert.
Vanwege het grote aantal soortgelijke zaken en de onduidelijkheid over de juiste rechtsmaatstaf legt de rechtbank prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad. Deze vragen betreffen de heroverweging van het arrest BNB 2015/203 en de invloed van binnenlandse particuliere aandeelhouders op de vergelijkingsmaatstaf.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan totdat de Hoge Raad heeft geoordeeld.
Uitkomst: De rechtbank legt prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissing aan.