Conclusie
eerste middelbevat twee klachten. De eerste klacht keert zich tegen ’s hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van verbalisant [verbalisant 1] als getuige. Volgens de tweede klacht heeft het hof verzuimd te beslissen op het verzoek van de verdachte om een deskundige te benoemen, teneinde deze te laten rapporteren over de betrouwbaarheid van de verklaringen en de geestelijke gesteldheid van de aangeefster.
NJ2014/441 m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad ten aanzien van het horen van getuigen onder meer het volgende overwogen:
tweede middelkeert zich met een aantal rechts- en motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van het onder parketnummer 01-845262-11 tenlastegelegde feit.
hof: de oudste zoon van verdachte en aangeefster] (...)”
Feiten
1.inbreuk
2.stelselmatigheid
Met betrekking tot de belaging van [aangeefster] in de periode van 15 juni 2017 tot en met 6 juli 2011
NJ2011/228 m.nt. Keijzer. Waar echter de ondergrens ligt, valt niet in algemene bewoordingen te duiden. [9]
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden, heeft beslist tot gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de aangeefster [aangeefster] .
vierde middelklaagt dat het hof in strijd met ar. 14b (oud) Sr de duur van de proeftijd voor de algemene voorwaarde bij de voorwaardelijke veroordeling van verzoeker heeft bepaald op drie jaar.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
vijfde middelklaagt dat een faxbericht van de verdachte in het ongerede is geraakt en dat dit verzuim zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de onderhavige uitspraak moet leiden, nu de beslissing op dit verzoek niet op ‘begrijpelijkheid’ kan worden getoetst.
Stcrt. 2013,36474) eerst schriftelijk een verzoek om aanvulling moeten indienen bij de rolraadsheer, voordat hij over die onvolledigheid wenst te klagen. [21] Het is immers goed mogelijk dat via een zoektocht bij het hof het ontbrekende stuk alsnog boven water en beschikbaar komt. Een middel dat enkel klaagt dat een processtuk ontbreekt zonder dat de raadsman eerst aan de rolraadsheer om aanvulling heeft verzocht, kan niet tot cassatie leiden. Ook denkbaar is dat het ontbrekende processtuk reeds niet aanwezig was in het procesdossier dat het hof ter beschikking stond bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Alsdan bestaat er onvoldoende grond voor het ernstige vermoeden dat dit processtuk ter griffie van het hof is ontvangen en nadien in het ongerede is geraakt. Ook in dat geval zal de klacht niet tot cassatie leiden. [22]