ECLI:NL:PHR:2016:1161
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verschoningsrecht advocaat bij inbeslagname geheimhouderstukken in cel verdachte
In deze zaak stond de vraag centraal of bepaalde in de cel van een verdachte aangetroffen stukken als geheimhouderstukken van diens advocaat konden worden aangemerkt en dus beschermd waren door het verschoningsrecht. De rechtbank had drie notities als geheimhouderstukken erkend en de overige stukken niet, waarna zowel de klagers als het Openbaar Ministerie cassatieberoep instelden.
De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie over het verschoningsrecht, waarbij het uitgangspunt is dat het oordeel over het verschoningsrecht in beginsel aan de advocaat toekomt en diens standpunt gerespecteerd moet worden, tenzij er redelijke twijfel bestaat over de juistheid daarvan. De plaats waar de stukken zijn aangetroffen (bij de advocaat of de cliënt) speelt daarbij een rol in de mate van toetsing.
De Hoge Raad bevestigde dat ook stukken die nog niet aan de advocaat zijn meegedeeld, onder het verschoningsrecht kunnen vallen indien zij vertrouwelijk verkeer betreffen. De rechtbank had de juiste maatstaf toegepast door de stukken inhoudelijk te beoordelen en te oordelen dat drie notities geheimhouderstukken waren. De overige stukken, die meer dagboekachtig waren en niet voor de advocaat bestemd leken, vielen niet onder het verschoningsrecht.
Het cassatieberoep van de klagers en het Openbaar Ministerie faalde, waarbij de Hoge Raad klager 1 niet-ontvankelijk verklaarde wegens gebrek aan belang. De rechtbank had voldoende gemotiveerd geoordeeld en de juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Er waren geen gronden voor vernietiging van de beschikking.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen en bevestigt dat drie stukken geheimhouderstukken zijn en teruggegeven moeten worden.