Conclusie
Vos/TSNaan de orde gesteld.
1.Feiten
CoopCodis is bereid ten behoeve van de financiering van de overname zekerheden aan de bank af te geven om financiering mogelijk te maken, indien dit noodzakelijk is. De financiering zal centraal door CoopCodis worden aangevraagd. Uitgangspunt is een eigen inbreng door u van minimaal € 75.000,-. De bancaire rente zal niet meer bedragen dan 6% per jaar. CoopCodis zal u een renteloze en een in tien jaar te kwijten geldlening verstrekken, groot € 150.000,-. Aanvullend zal CoopCodis een bedrag van € 50.000,- financieren, welke in de vorm van een winstdelingsregeling door u aan CoopCodis wordt terugbetaald.
CoopCodis en u zijn een terugkoopregeling overeengekomen, gebaseerd op artikel 11 van Pro de samenwerkingsovereenkomst. Deze terugkoopregeling is geldig tot 24 februari 2008 en waarvoor dient te gelden dat de gerealiseerde omzet gedurende de eerste 26 weken exploitatie significant afwijking vertoont (in negatieve zin) ten opzichte van de omzet begroting. Het terugkopen door CoopCodis geschiedt alsdan tegen de navolgende voorwaarden:
Ondernemer, dan wel de feitelijk ondernemer, na schriftelijke ingebrekestelling, nalatig blijft:
de bepalingen uit deze Overeenkomst, de daarvan deel uitmakende voorschriften of de daaruit voortvloeiende aanwijzingen (waaronder, doch daartoe niet beperkt, het - indien van toepassing -partijen genoegzaam bekende exploitatieplan),
de bepalingen voortvloeiende uit de in verband met deze samenwerkingsovereenkomst met CoopCodis gesloten geldleningsovereenkomst, tijdig of behoorlijk na te komen.”
2.Procesverloop
conventieheeft de rechtbank overwogen als volgt. Tussen partijen bestaat overeenstemming dat de tussen hen gesloten overeenkomsten zijn beëindigd en dat er een afrekening moet plaatsvinden. Of voldoende grondslag bestond voor de ontbinding door Coop kan dus in het midden blijven (rov. 4.2.). Het verweer van [eiser] dat Coop is tekortgeschoten door een ondeugdelijke exploitatiebegroting over te leggen, wordt verworpen, omdat een dergelijke prognose volgens vaste rechtspraak niet als een garantie mag worden beschouwd (rov. 4.3.-4.4.). Vervolgens heeft de rechtbank de toewijsbaarheid van de vorderingen van Coop beoordeeld. [eiser] heeft de juistheid van het door Coop gevorderde bedrag van € 290.458,85 onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het gevorderde bedrag toewijsbaar is (rov. 4.6.2.). Een door Coop gevorderde vergoeding van de personeelskosten is echter als onvoldoende toegelicht afgewezen (rov. 4.6.4.). De rechtbank heeft daarom € 285.682,48 aan Coop toegewezen. [11]
reconventieheeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank gewezen op de eerdere overweging (rov. 4.4., hiervoor 2.6) dat een prognose niet als een garantie is aan te merken. Volgens de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat Coop is tekortgeschoten in haar verplichtingen (rov. 4.15.) en bestaat ook overigens geen grond voor schadevergoeding (rov. 4.16.-4.17.). De gevorderde verklaring voor recht dat Coop contractuele boetes verschuldigd is, heeft de rechtbank afgewezen, omdat [eiser] een dergelijke vordering had moeten richten tegen CoopCodis Winkelbedrijven B.V., zijnde de aan Coop gelieerde vennootschap waarmee [eiser] heeft gecontracteerd (rov. 4.18.). De vordering dat de rechtbank zodanig zal beslissen als zij naar goede justitie zal vermenen te behoren is te weinig concreet om tot enige toewijzende beslissing te kunnen leiden (rov. 4.19.). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Coop bij die stand van zaken door het leggen van beslag niet onrechtmatig gehandeld (rov. 4.20.). Ten slotte is [eiser] veroordeeld in de proceskosten van Coop in reconventie.
principaal appelbesproken
.Het hof heeft de grieven 1-5 van [eiser] die zien op de door Coop verstrekte prognose verworpen (rov. 4.5-4.11). Naar het oordeel van het hof is Coop niet tekortgeschoten in haar verplichting om een realistische omzetbegroting aan [eiser] te geven. Volgens het hof is, gelet op de vele onzekerheden bij de start van de onderneming, goed denkbaar dat de prognose van de werkelijke resultaten afwijkt. Dat behoort bij het ondernemersrisico. Dat zou volgens het hof anders kunnen zijn als de exploitatiebegroting zou blijken te zijn gebaseerd op foutieve informatie, maar daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.
incidenteel appel. De eerste incidentele grief richt zich tegen de afwijzing van de door Coop gemaakte kosten om het dienstverband van een werknemer te beëindigen. Coop verwijt [eiser] in dat verband dat hij geen proeftijd met de werknemer is overeengekomen. Het hof heeft deze grief verworpen, omdat Coop [eiser] niet op het belang van een proeftijd heeft gewezen (rov. 4.21-4.22). De tweede incidentele grief richt zich naar de vaststelling van het hof tegen de afwijzing in het herstelvonnis van 1 juli 2010 van de door Coop gevorderde beslagkosten. Het hof heeft deze grief verworpen aangezien tegen een verbetering of weigering van een verbetering geen voorziening openstaat (art. 31 lid 4 Rv Pro). Het hof heeft in dat verband als volgt overwogen:
Grief 2ziet op de afwijzing in het herstelvonnis van 1 juli 2010 van de door Coop gevorderde beslagkosten. Coop merkt in de toelichting alleen op dat de rechtbank ten onrechte verbetering heeft geweigerd van de overweging dat de beslagkosten geen proceskosten zijn. De grief stuit af op de bepaling dat tegen de verbetering of weigering daarvan geen voorziening openstaat (art. 31 lid 4 Rv Pro). Het hof merkt voor zover nodig nog op dat thans nog niet kan worden beoordeeld of Coop per saldo een vordering op [eiser] heeft.”
Vos/TSN, [16] voorts aangevoerd dat geen plaats is voor een (volledige) verrekening van inkomsten uit dienstbetrekking en die van schade door de ontbinding, omdat geen sprake is van een door [eiser] genoten voordeel dat enig verband houdt met de schade gebaseerd op het toerekenbaar tekortschieten door Coop (eindarrest, rov. 2.2). Daarnaast is volgens [eiser] niet uit te sluiten dat, indien de exploitatie zou zijn voortgezet, hij eveneens de gelegenheid zou hebben gehad om daarnaast andere en/of hogere inkomsten te verwerven. [17]
Door [eiser] aan Coop te voldoen:
Inleidende opmerkingen
Franchising, en in het bijzonder de bescherming van franchisenemers, is een onderwerp dat de aandacht trekt. In dit verband vallen diverse recente ontwikkelingen te melden. [19]
Street Onedat een franchisegever onrechtmatig kan handelen wanneer hij zijn franchisenemer een prognose van de winst en omzet verstrekt die op onjuiste gegevens blijkt te berusten, ook als hij zich niet van deze fouten bewust is, maar de fouten te wijten zijn aan onzorgvuldig handelen van hemzelf of van een persoon voor wie hij op grond van art. 6:170-6:172 BW aansprakelijk is. [20] Met dit oordeel verduidelijkte Uw Raad het in het arrest inzake
Paalman/Lampenier [21] geformuleerde regime voor aansprakelijkheid van de franchisegever voor onzorgvuldig opgestelde prognoses. Uit dat arrest werd wel afgeleid dat aansprakelijkheid van de franchisegever beperkt is tot het geval dat hij wetenschap heeft van de onjuistheid en de wederpartij hierop niet opmerkzaam maakt. [22] In het jongste arrest is nu benadrukt dat dit laatste enkel ziet op het geval dat de franchisegever het onderzoek en het opstellen van het daarop gebaseerde rapport heeft uitbesteed, maar dat dat anders is wanneer de franchisegever zelf, of een persoon voor wie hij op grond van art. 6:170-6:172 BW aansprakelijk is, het onderzoek uitvoert en de resultaten ervan aan de wederpartij verstrekt. In dat geval kan ook sprake zijn van onzorgvuldig handelen zonder wetenschap van fouten in het rapport bij franchisegever (of persoon voor wie hij aansprakelijk is) en wel indien onzorgvuldigheid van de franchisegever (of de persoon voor wie hij aansprakelijk is) heeft geleid tot de fouten in het rapport. Het behoeft geen betoog dat deze verduidelijking en relativering van
Paalman/Lampenierde bescherming van de franchisenemer ten goede komt. [23]
Vos/TSN [28] aan de orde wordt gesteld, meer precies door [eiser]: dit veel besproken arrest heeft ook betrekking op leerstukken als schadebegroting, voordeelstoerekening en schadebeperkingsplicht. Zijn actuele betekenis wordt in sterke mate bepaald door Uw arrest inzake
TenneT/ABB. [29] Coop heeft op het belang van dit arrest gewezen. Op beide arresten ga ik nu eerst kort in meer algemene zin in om daarmee een fundament te geven aan de bespreking van de klachten hierna.
Vos/TSN. Trailer Service Nederland (TSN) en vervoerder Vos zijn op 1 oktober 1999 een overeenkomst aangegaan met betrekking tot reparatie en onderhoud door TSN van opleggers van Vos, voor een periode van ten minste vijf jaar. Een beëindiging van deze overeenkomst door Vos bij brief van 27 augustus 2001 bleek niet gerechtvaardigd en miste daarom het beoogde rechtsgevolg. TSN heeft vervolgens wegens deze wanprestatie van Vos ontbinding met ingang van 27 augustus 2001 plus schadevergoeding, bestaande in de over de resterende contractsduur gederfde winst, gevorderd. Het hof heeft deze vordering ex art. 6:277 BW Pro toegewezen en Vos veroordeeld tot betaling van bijna € 600.000,-. Tot teleurstelling van Vos blijft daarbij buiten beschouwing dat TSN zijn capaciteit na 27 augustus 2001 opnieuw heeft weten in te zetten en daarbij ook winst heeft gemaakt; dit gegeven zou bij de (omvang van de) schadevergoeding moeten worden betrokken.
eerstwordt de schade vastgesteld,
vervolgenskomen we voor de vraag te staan of een eventueel financieel voordeel daarop in mindering wordt gebracht. Met betrekking tot deze ‘tweede fase’ leert de tekst van art. 6:100 BW Pro dat er in ieder geval een verband moet zijn met de schadeveroorzakende gebeurtenis; zowel schade als voordeel moeten door ‘een zelfde gebeurtenis’ zijn veroorzaakt. Is men door deze ‘poort’ dan volgt een inhoudelijke redelijkheidstoets die voorkomt dat
iedervoordeel in mindering wordt gebracht op de schadevergoeding. [31] Voordeelstoerekening vindt enkel plaats voor zover dat redelijk is. [32] In veel gevallen kwamen we hieraan echter niet toe door de restrictieve uitleg die Uw Raad in diverse arresten heeft gegeven aan ‘een zelfde gebeurtenis’. [33]
Vos/TSN. Het hof heeft in deze zaak het gegeven dat TSN de capaciteit die zij beschikbaar had voor Vos na de ontbinding wel degelijk in de relatie met derden heeft kunnen benutten eerst buiten beschouwing gelaten bij de vraag welke schade TSN heeft geleden (art. 6:277 BW Pro) en vervolgens ook geen voordeelstoerekening aangenomen, omdat schade en voordeel in dit geval niet aan ‘een zelfde gebeurtenis’ zouden zijn te relateren. In cassatie neemt ook Uw Raad aan dat de eventuele door TSN genoten winst uit vervangende omzet geen schadebepalende factor is, maar hooguit een gegeven dat in het kader van art. 6:100 BW Pro kan worden meegenomen. Ook hier vangt Vos echter bot, nu schade en voordeel, aldus Uw Raad, in beginsel niet voortvloeien uit ‘een zelfde gebeurtenis’ in de zin van art. 6:100 BW Pro.
Vos/TSNde ruimte biedt voor ‘dubbel incasseren’ waarbij één en dezelfde capaciteit tweemaal wordt benut [34] of juist voor ‘stilzitten’ en ‘duimen draaien’ op kosten van de tekortschietende debiteur: wanneer winst uit vervangende omzet geen invloed heeft op de
schadedoch hooguit een ‘voordeel’ vormt, wordt de
schadeook niet beperkt door het genereren van vervangende omzet. Een plicht daartoe kan dan niet uit art. 6:101 BW Pro worden afgeleid, nu deze bepaling immers alleen ziet op het geval waarin de gelaedeerde zelf heeft bijgedragen aan de
schade. [35] In dit verband lijkt de meerderheidsopvatting overigens dat voor schadebeperking ook plaats zou zijn bij toepassing van art. 6:100 BW Pro, [36] maar dan is de daadwerkelijke betekenis van de schadebeperkingsplicht nog steeds afhankelijk van de vraag welke uitleg wordt gegeven aan ‘een zelfde gebeurtenis’.
Vos/TSNom een nakomingvervangende en niet om een aanvullende schadevergoeding gaat: [39] de ratio van het arrest is niet dat de crediteur achterover mag leunen bij wanprestatie en dubbel mag vangen, maar dat hij aanspraak mag maken op nakoming van het contract. TSN krijgt alsnog de nettowinst waarop zij recht heeft: na aftrek van de besparingen (omdat geen personeel en materieel zijn ingezet) resteert de nettowinst die gegenereerd zou zijn bij perfecte nakoming. Van Boom erkent overigens wel dat de crediteur zo eventueel méér overhoudt aan het avontuur dan bij onberispelijke nakoming het geval zou zijn - dan zou tweemaal benutten van één en dezelfde capaciteit immers niet mogelijk zijn - maar dat vindt hij geen probleem: wat hem betreft moet het schadevergoedingsrecht bij wanprestatie zich niet enkel richten op het goedmaken van het nadeel voor de crediteur, maar ook op het voorkomen dat wanprestatie profijtelijk is voor de debiteur. [40]
NJ-noot bepleit dat het voordeel in een zaak als
Vos/TSNwel degelijk
inhoudelijkin het kader van art. 6:100 BW Pro zou moeten worden beoordeeld, waarvoor dan een ruimhartiger interpretatie van ‘eenzelfde gebeurtenis’ vereist zou zijn. Aangekomen bij de vraag of toerekening redelijk is, ziet Hijma zowel pro’s als contra’s.
Tegentoerekening pleit dat de winst contractueel is toegezegd; ontbinding na tekortkoming doet aan die aanspraak niet af, blijkt uit art. 6:277 BW Pro. Daar komt bij dat een eventuele inspanning om de capaciteit alsnog in te zetten niet zou moeten worden ‘afgestraft’ of afgeremd door de vruchten van deze inspanningen meteen ten goede te laten komen aan de tekortschietende debiteur.
Voortoerekening pleit echter dat het resultaat van een andere benadering niet aanspreekt, immers duimendraaien op kosten van de debiteur mogelijk maakt, net als dubbel incasseren. Bij gebreke van specifieke aanknopingspunten voor een ander oordeel zou het voordeel daarom voor 50% moeten worden toegerekend. [41] Wat de schadebeperkingsplicht betreft ziet Hijma inderdaad aanleiding voor een zekere gehoudenheid van de teleurgestelde crediteur vervangende opdrachten in de wacht te slepen. Daarbij leggen diverse factoren gewicht in de schaal: zijn vervangende opdrachten gemakkelijk of moeilijk verkrijgbaar, welke offers moet de crediteur zich te getroosten om ze niet alleen te krijgen maar ook uit te voeren, wat is de restduur van het ontbonden contract? [42]
Vos/TSNstaan. Daarbij wordt onder meer gewezen op het belang van de vraag of de capaciteit van TSN nu volledig was ingezet voor Vos of niet. De kritische commentaren (hiervoor onder
a) lijken ervan uit te gaan dat TSN zonder ontbinding geen contracten met derden had kunnen sluiten. Bij nadere beschouwing lijkt in cassatie uitgangspunt te zijn geweest dat de capaciteit van TSN
nietvolledig was ingezet voor Vos. [43] In dat geval heeft ander werk voor TSN niets met de tekortkoming van Vos te maken (en is het toeval dat andere contracten na ontbinding zijn afgesloten) en blijven de vruchten daarvan dan ook buiten beeld. [44]
welvolledig zou zijn ingezet voor Vos lopen de meningen uiteen. [45] De verdeeldheid betreft niet alleen de vraag of de vruchten van de contracten met derden invloed hebben op de omvang van de schadevergoedingsplicht van de tekortschietende debiteur, maar ook de vraag naar de eventuele schadebeperkingsplicht van de teleurgestelde crediteur. Wat de eerste vraag betreft zijn, als gezegd, technisch gezien meerdere benaderingen mogelijk: de ene loopt via schadebegroting, de andere via voordeelstoerekening. [46] Uw Raad heeft in
Vos/TSNvoor art. 6:100 BW Pro gekozen, maar niet uitgesloten is dat ook de route van art. 6:97 BW Pro nog bewandeld kan worden. Dat hangt bijvoorbeeld af van de wijze van schadebegroting. [47] Wat de eventuele schadebeperkingsplicht van de teleurgestelde crediteur betreft gaf ik al aan dat de meerderheidsopvatting is dat zij ook nog in beeld kan komen in gevallen waarin het ‘voordeel’ niet al bij art. 6:97 maar Pro pas bij art. 6:100 BW Pro wordt meegenomen (hiervoor 3.10 onder a). Maar opnieuw is de praktische betekenis van deze beschouwingen afhankelijk van de vraag hoe ‘een zelfde gebeurtenis’ wordt uitgelegd. In ieder geval wordt na
Vos/TSNmeer ruimte voor inhoudelijke beoordeling onder de noemer van art. 6:100 BW Pro wenselijk geacht. [48]
TenneT/ABB [49] goed van pas, ook al heeft het strikt genomen betrekking op een geheel andere materie: het
passing on-verweer in kartelzaken. In de doctrine woedde niet alleen een debat over de vraag of dit verweer erkenning verdiende, maar ook over de vraag waar het vervolgens zou moeten worden ingepast: bij schadebegroting of bij voordeelstoerekening? Ook deze discussie had te lijden onder de indruk dat Uw Raad in het kader van art. 6:100 BW Pro extra terughoudend zou zijn. We zien dat terug in deze zaak waarin TenneT ABB aanspreekt, omdat zij vanwege een kartel een te hoge prijs voor een installatie zou hebben betaald. De rechtbank wijst de vordering toe en verwerpt het beroep van ABB op het doorberekeningsverweer. Het hof overweegt echter dat het door TenneT aan haar afnemers doorberekende deel van haar schade in mindering dient te worden gebracht op de schadevergoeding. In cassatie betoogt TenneT dat het doorberekeningsverweer moet worden beschouwd als een beroep op art. 6:100 BW Pro en in dit verband wijst zij op de drempels die daarbij aan de orde zijn. Ook hier is dus de vraag: gaat het om een kwestie van
schadebegrotingof van
voordeelstoerekening? De intensiteit van het debat, zowel in de literatuur over de status van het doorberekeningsverweer in het algemeen als in de concrete procedure, geeft de indruk dat het veel uitmaakt. [50] Uw Raad toont zich echter pragmatisch: [51] het
passing on-verweer, dat inderdaad door Uw Raad wordt erkend, kan de gedaante hebben van het verweer dat schade ontbreekt hetgeen dan in het kader van schadebegroting dient te worden meegenomen, maar mag ook in het kleed van een voordeelstoerekeningsverweer worden gehuld. Afhankelijk van het partijdebat wordt het verweer onder de noemer van art. 6:97 dan Pro wel van art. 6:100 BW Pro behandeld. Linksom, schadebegroting, of rechtsom, voordeelstoerekening, dient het resultaat hetzelfde te zijn en het regime daarmee dus ook. In het kader van art. 6:100 BW Pro komt Uw Raad daarbij terug van eerdere rechtspraak waar het gaat om de uitleg van ‘een zelfde gebeurtenis’. Op dit punt wordt nu genoegen genomen met een condicio-sine-qua-non-verband. Wat de inhoudelijke toets betreft: het komt er, zowel in de schadebegrotingsoptie als in die van voordeelstoerekening ex art. 6:100 BW Pro, uiteindelijk op aan te beoordelen welke nadelen en welke voordelen in zodanig verband staan met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij redelijkerwijs als een gevolg van deze gebeurtenis aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. Daarmee wordt in het kader van art. 6:100 BW Pro in wezen dezelfde maatstaf aangelegd als in het kader van art. 6:98 BW Pro. [52]
TenneT/ABBte beperken tot het doorberekeningsverweer, integendeel: het is een belangrijk arrest met een meer algemene betekenis waar het art. 6:100 BW Pro betreft. [53] Dat komt in de reeds verschenen commentaren duidelijk tot uitdrukking. Uw Raad geeft ruimte aan twee benaderingen waarbij de wijze waarop een zaak uiteindelijk wordt afgedaan, bepaald wordt door het partijdebat. Afwikkeling langs de weg van schadebegroting, waarbij de betrokken gunstige financiële omstandigheid als schadebepalende factor wordt gezien, is mogelijk, maar wanneer zij juist als voordeel wordt gepresenteerd, is afwikkeling langs de weg van voordeelstoerekening een even reële optie. Welk pad ook gekozen wordt, steeds zou het erop neerkomen dat wordt vastgesteld of er c.s.q.n.-verband is waarna het, bij bevestigende beantwoording, aankomt op de vraag of het betrokken ‘voordeel’ in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat dat redelijkerwijs als een gevolg van deze gebeurtenis aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Met dit ‘tweesporenbeleid’ wordt het schadevergoedingsrecht niet onnodig gecompliceerd en wordt de consistentie bevorderd. [54]
steedsmogelijk is, zal nog moeten blijken. Of presentatie als schadebepalende factor mogelijk is, is bijvoorbeeld ook afhankelijk van de vraag hoe de schade wordt begroot en welke omstandigheden daarbij kunnen worden meegenomen. [55] Neem de beslissing in
Vos/TSNmet betrekking tot art. 6:277 BW Pro: daar heeft Uw Raad destijds aangegeven dat de winst op contracten met derden niet bij het bepalen van de schade moet worden meegenomen, maar pas in beeld komt in de ‘tweede fase’ van de voordeelstoerekening (hiervoor 3.9). Wanneer Uw Raad daaraan zou vasthouden, hebben partijen dus niet werkelijk steeds de vrijheid om één en hetzelfde geval langs twee routes aan te vliegen. [56] Ik ben echter geneigd aan te nemen dat de consequenties van
TenneT/ABBverder reiken: de beslissing omtrent art. 6:277 BW Pro in
Vos/TSNis in het perspectief van
TenneT/ABBnadien niet logisch en daarmee inmiddels verleden tijd.
Vos/TSNmoet zijn. Uw Raad heeft aangegeven te zijn teruggekomen van eerdere rechtspraak met betrekking tot de uitleg van ‘een zelfde gebeurtenis’. Het ligt voor de hand te denken aan
De Preter/Van Uiterten
Vos/TSN. Anders dan in 2009 zou dan anno 2017 een inhoudelijk redelijkheidsoordeel geveld moeten worden. Maar zou Uw Raad daarbij daadwerkelijk tot een ander eindresultaat komen? Zowel Keirse & Van Kogelenberg als Van Boom zouden een dergelijke consequentie betreuren. [57] Zij bepleiten in het kader van de redelijkheidstoets nog steeds ‘niet toerekenen’. Nu in de literatuur na
Vos/TSNook andersluidende opvattingen zijn ontwikkeld, is een andere, al is het maar gedeeltelijk andere, uitkomst echter niet uitgesloten. [58] Tjittes heeft zich recentelijk inderdaad sterk gemaakt voor een ander eindresultaat: hij ziet in het scenario dat eerst door beëindiging van de overeenkomst capaciteit vrijkomt die vervolgens wordt benut voor nieuwe opdrachten, een zekere (beperkte) ruimte voor toerekening van het voordeel van nieuwe opdrachten én voor de schadebeperkingsplicht. [59] Vooralsnog ben ik geneigd eerder dit, nog steeds tamelijk voorzichtige, spoor te volgen, dan dat van het categorische ‘nee’.
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Subonderdeel 1.1bevat geen klacht, maar stelt dat voor vermindering van de verplichting tot schadevergoeding wegens schending van de schadebeperkingsplicht in beginsel dezelfde vereisten gelden als voor ‘gewone’ eigen schuld. Zo zal tussen het nalaten maatregelen te nemen en de (extra) schade causaal verband moeten bestaan.
Subonderdeel 1.2betoogt dat het hof uit de gedingstukken niet de conclusie heeft mogen trekken dat [eiser] heeft nagelaten dergelijke schadebeperkende maatregelen te nemen. Volgens [eiser] zijn er in het arrest evenmin feiten en/of omstandigheden te lezen waaruit volgt dat hij niet aan enige op hem rustende verplichting om de schade te beperken zou hebben voldaan. Juist omdat daarover volgens het hof niets is aangevoerd, had het hof [eiser] in de gelegenheid moeten stellen te reageren op het verwijt van Coop en/of ’s hofs voornemen om een schatting te maken van het inkomen van [eiser] van € 60.000,- per jaar. Nu het hof dat niet heeft gedaan, heeft het op dat punt een met art. 24 Rv Pro, althans art. 149 Rv Pro, strijdige verrassingsbeslissing gegeven.
Subonderdeel 1.3betoogt dat het oordeel, dat het voor de hand had gelegen dat [eiser] had toegelicht waarom hij over de betrokken periode (2008-2011) geen inkomsten heeft genoten, onjuist en onbegrijpelijk is. In rov. 2.19 van het tussenarrest van 11 november 2014 is slechts te lezen dat [eiser] zijn inkomensgegevens uit arbeid, gestaafd met verifieerbare gegevens, in het geding moet brengen, opdat de in rov. 2.12 genoemde (vermogens-)vergelijking kan worden gemaakt. [eiser] bepleit dat hij daaraan heeft voldaan door een accountantsverklaring te overleggen waaruit zou blijken dat hij over die periode alleen maar bedrijfskosten heeft gemaakt. Dat [eiser] over die periode niet steeds inkomsten heeft genoten, is hem niet te verwijten, nu dit komt doordat Coop beslag had gelegd op al zijn vermogensbestanddelen en [eiser] de winkel had teruggeleverd aan Coop. Een poging om binnen zijn onderneming een andere levensmiddelenwinkel te exploiteren is niet gelukt. Er is geen sprake van dat Coop als gevolg daarvan extra schade heeft geleden.
Subonderdeel 1.4bevat de stelling dat [eiser] in de periode na het terugleveren van de winkel heeft geleefd van het inkomen van zijn echtgenote.
onderdeel 1aldus dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [eiser] niet zou hebben voldaan aan enige op hem rustende verplichting tot beperking van de schade en dat in zoverre sprake is van een verrassingsbeslissing. Verder komt [eiser], onder verwijzing naar zijn akte en de overgelegde accountantsverklaring, op tegen de schatting van zijn inkomen over de periode van medio februari 2008 tot en met 30 september 2012 op € 60.000,- per jaar.
Vos/TSNdergelijke genoten inkomsten slechts in het kader van voordeelstoerekening in aanmerking mogen worden genomen. Daar komt volgens het subonderdeel bij dat uit het arrest
Vos/TSNook valt af te leiden dat winst uit een ondernemingsactiviteit zich niet laat vergelijken met inkomsten uit dienstbetrekking elders: de ondernemersbeloning moet als deel van de winst worden gezien. Dat op [eiser] een schadebeperkingsplicht rustte, kan, aldus het subonderdeel, er niet toe leiden dat zijn elders genoten inkomsten van invloed zijn op de omvang van de schade.
Subonderdeel 3.1wijst er in dat verband op dat [eiser] ingevolge het tussenarrest van 11 november 2014 gegevens diende over te leggen op grond waarvan de vergelijking kon worden gemaakt tussen de hypothetische toestand zonder ontbinding en de situatie waarin [eiser] in de periode van medio februari 2008 tot 1 november 2014 feitelijk heeft verkeerd. Bij die feitelijke situatie behoren volgens [eiser] de genoemde bedrijfslasten te worden betrokken.
subonderdeel 1.2wat mij betreft terecht dat sprake is van een verrassingsbeslissing. Volgens Uw Raad kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding pas verminderen wegens eigen schuld van de benadeelde, waarvan schending van de schadebeperkingsplicht een speciës is, [62] na een voldoende gemotiveerd beroep van de aansprakelijk gestelde partij daarop [63] en nadat partijen daarover een debat hebben kunnen voeren; dat vloeit voort uit het beginsel van hoor en wederhoor. [64] Coop heeft haar beroep op schending van de schadebeperkingsplicht gedaan bij antwoordakte van 20 januari 2015, waarna arrest is gewezen. [eiser] heeft dus niet de gelegenheid gehad zich hierover uit te laten. Daarover nog meer specifiek het volgende. Anders dan het hof overweegt, ligt het wat mij betreft niet voor de hand dat [eiser] reeds bij het aanleveren van de gegevens over zijn inkomsten had toegelicht waarom hij over een deel van de bewuste periode geen inkomsten heeft genoten. Bij het tussenarrest van 11 november 2014 had het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [eiser] teneinde gegevens over zijn inkomsten te verschaffen (rov. 2.13 in het tussenarrest van 11 november 2014). [eiser] heeft een daarop gerichte akte genomen en Coop heeft eerst nadien, bij antwoordakte, een beroep op schending van de schadebeperkingsplicht gedaan. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad mag de rechter niet uitgaan van de juistheid van stellingen uit het laatste gedingstuk. [65] Ambtshalve toepassing van het leerstuk van eigen schuld – waarvan de schadebeperkingsplicht een uitwerking vormt – is, zoals Uw Raad heeft aangegeven in het arrest
Regiopolitie/Hovax, niet toegestaan. Bij die stand van zaken mocht het hof het beroep op de schadebeperkingsplicht niet honoreren zonder [eiser] in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.
Subonderdeel 1.2 klaagt hier terecht over. Verder wordt in
subonderdeel 1.2mijns inziens ook terecht aangevoerd dat het hof onvoldoende feiten en omstandigheden bijeen heeft gebracht voor het honoreren van een beroep op de schadebeperkingsplicht. In dat kader dient immers te worden onderzocht in hoeverre de benadeelde in redelijkheid gehouden was zijn schade te beperken. [66] Het hof heeft echter niet (kenbaar) beoordeeld of, en zo ja op welke wijze en in welke mate, van [eiser] in redelijkheid kon worden verlangd dat hij zijn schade zou beperken.
subonderdelen 1.2 en 1.3daartegen mijns inziens ook met succes op. Vooropgesteld moet worden dat de schadebegroting is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Daarbij komt het hof een grote vrijheid toe. Dit laat echter onverlet dat de beslissing wel van een zodanige motivering moet zijn voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [67] Naar mijn mening kan de onderhavige overweging die toets niet doorstaan. Vast staat dat de samenwerkingsovereenkomst tussen [eiser] en Coop medio februari 2008 is ontbonden. Zonder motivering, die ontbreekt, is niet voldoende begrijpelijk waarom het hof het inkomen van [eiser] – ondanks diens verwijzing naar gegevens die op een andere conclusie wijzen – vanaf het moment van deze ontbinding (immers per medio februari 2008) op een gemiddeld ondernemersinkomen ad € 60.000,- heeft begroot. Het rapport van de deskundige Hiemstra biedt daarvoor geen (toereikende) basis. Hiemstra noemt het gemiddelde ondernemersinkomen in verband met de vaststelling van de
hypothetischesituatie dat [eiser] de onderneming had kunnen voortzetten. Het rapport vermeldt op p. 6:
1.3van het principale beroep zijn mijns inziens dus terecht voorgesteld. Daarbij is niet van belang of rov. 2.5 berust op een toepassing van de schadebeperkingsplicht dan wel op een schatting van het feitelijke inkomen.
Subonderdeel 1.1bevat geen zelfstandige klacht en behoeft daarom geen bespreking.
Subonderdeel 1.4betoogt dat [eiser] in de bewuste periode van het inkomen van zijn echtgenote heeft geleefd; nu deze stelling in feitelijke instanties niet is ingenomen, heeft deze te gelden als een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie. [68] Subonderdeel 1.4kan dus niet slagen.
Vos/TSNslechts kan plaatsvinden in het kader van voordeelstoerekening, terwijl aan de voorwaarden daarvoor in de onderhavige zaak niet is voldaan.
Vos/TSNen het latere arrest
TenneT/ABBkan worden afgeleid als het gaat om de wijze waarop de schade geleden als gevolg van de ontbinding van een overeenkomst moet worden begroot. Buiten kijf staat dat bij de schadebegroting een vergelijking zal moeten worden gemaakt tussen de hypothetische situatie waarin de benadeelde partij bij in alle opzichten onberispelijke nakoming zou hebben verkeerd en de situatie waarin hij feitelijk na ontbinding heeft verkeerd. [69] Door in het onderhavige geval een vergelijking te maken tussen het resultaat dat [eiser] bij voortzetting van de exploitatie zou hebben behaald en de inkomsten die hij feitelijk heeft genoten, heeft het hof dus een rechtens juist uitgangspunt gehanteerd. Anders dan het onderdeel aanvoert, staat aan die vergelijking niet in de weg dat de inkomsten die met elkaar worden vergeleken niet gelijksoortig zijn: het gaat erom het vermogen aan te vullen tot de hoogte waarop correcte wederzijdse nakoming het zou hebben gebracht. [70] Indien nodig kan voor relevante verschillen, zoals fiscale voor- of nadelen, worden gecorrigeerd. [71] Het standpunt dat winst uit een onderneming en inkomsten uit dienstbetrekking zich in het kader van het vaststellen van de omvang van schadevergoeding niet met elkaar laten vergelijken, vindt mijns inziens in zijn algemeenheid geen steun in het recht. In dat licht behoefde het hof de hierop gerichte stellingen ook niet in zijn motivering te betrekken.
Vos/TSNslechts in het kader van voordeelstoerekening op de schadevergoeding in mindering zouden kunnen worden gebracht, waarbij in het onderhavige geval volgens het onderdeel niet zou zijn voldaan aan het vereiste van ‘een zelfde gebeurtenis’ in de zin van art. 6:100 BW Pro. Zoals hiervoor is toegelicht, is deze zienswijze niet (langer) juist (hiervoor 3.12). Een dergelijke voor de benadeelde gunstige omstandigheid kan hetzij bij de schadebegroting worden betrokken, hetzij in het kader van voordeelstoerekening op de schade in mindering worden gebracht (hiervoor 3.13). De door de rechter te maken keuze voor een van beide wegen hangt af van de wijze waarop de betreffende omstandigheid in het partijdebat naar voren is gebracht.
Vos/TSNgeënt verweer gevoerd.
feitelijke inkomsten. Daaronder zijn naar mijn mening niet de (eventueel gemaakte) bedrijfskosten te verstaan. [eiser] heeft (zijn standpunt over) de bedrijfskosten aldus voor het eerst in de akte na tussenarrest naar voren gebracht zonder dat het tussenarrest daartoe aanleiding gaf. De twee-conclusie-regel [72] brengt mee dat het hof geen acht behoefde te slaan op deze stellingen. De klacht stuit hierop af. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of het hof de stelling over de bedrijfskosten op goede gronden als een eisvermeerdering heeft gekwalificeerd. Overigens verdient nog opmerking dat tegen een beslissing tot het toestaan of weigeren van een eisvermeerdering op de voet van art. 130 lid 2 Rv Pro geen hogere voorziening openstaat, welke regel volgens rechtspraak van Uw Raad [73] zelfs geldt ingeval deze bepaling ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen is toegepast of ten onrechte buiten toepassing is gelaten. Ook in dat licht faalt het derde onderdeel.
subonderdelen 1.2en
1.3in het principale beroep terecht zijn voorgesteld.
Subonderdelen 1.1,
1.4en
onderdelen 2 en 3falen daarentegen.
5.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
subonderdeel 1.1is onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat het resultaat [75] over 2008 (45 weken) € 77.922,- is, nu dit blijkens het deskundigenrapport het resultaat over heel 2008 (52 weken) is.
subonderdeel 1.2onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.6 van het eindarrest is uitgegaan van een gecorrigeerde winst op jaarbasis over 2008 van
€ 25.422,-. Volgens Coop volgt uit het deskundigenrapport dat de gecorrigeerde jaarwinst over 2008 € 15.509,- bedraagt.
Subonderdeel 1.3voert aan dat de berekening van de gederfde winst over 2008 onbegrijpelijk is, nu het hof daarin de niet-gecorrigeerde jaarwinst heeft verrekend met het gecorrigeerde ondernemersloon.
subonderdeel 1.4vitiëren deze klachten ook het oordeel in rov. 2.6, 2.8 en het dictum dat Coop aan [eiser] een bedrag over de periode medio februari 2008 tot 1 november 2014 van € 99.820,75 als vergoeding voor gederfde winst dient te betalen.
subonderdeel 2.1 – aheeft het hof met dit oordeel miskend dat de rechtbank haar vonnis heeft aangevuld met een beslissing over de beslagkosten en dat tegen de (inhoud van deze) aanvulling gezien art. 32 Rv Pro met een rechtsmiddel kan worden opgekomen. Verder richt het subonderdeel zich tegen de overweging dat Coop in de toelichting op haar grief opmerkt dat de rechtbank ten onrechte verbetering heeft geweigerd van haar vonnis. Volgens Coop is het onbegrijpelijk dat het hof de grief op deze wijze uitlegt. Bovendien wordt aangedragen dat het hof de door de rechtbank uitgesproken afwijzing van de door Coop gevorderde kosten van beslaglegging ‘eens te meer’ in appel inhoudelijk had moeten beoordelen, nu Coop die beslagkosten nogmaals in appel heeft gevorderd. In
subonderdeel 2.1 – bwijst Coop in dit verband op het petitum van de memorie van antwoord tevens memorie van eis in incidenteel appel, waarin zij de kosten van beslaglegging vordert. Coop vermeldt onder verwijzing naar de conclusie van antwoord in reconventie, randnummer 45 en productie 19 dat het hier gaat om een bedrag van € 1.059,09.
Subonderdeel 2.2voert aan dat, voor zover de verwerping van de tweede grief in het incidentele appel berust op de overweging in het tussenarrest dat “thans nog niet kan worden beoordeeld of Coop per saldo een vordering op [eiser] heeft” (rov. 4.23), deze onderbouwing onvoldoende is, omdat het hof in het tussenarrest van 15 januari 2013 heeft vastgesteld dat [eiser] per saldo € 238.858,- aan Coop diende te voldoen.
Subonderdeel 2.3bevat een restklacht inhoudende dat de voorgaande klachten rov. 3 en het dictum van het eindarrest vitiëren nu het hof daarin geen veroordeling in de beslagkosten uitspreekt.
Subonderdeel 1.1klaagt terecht naar mijn mening dat die gevolgtrekking onbegrijpelijk is. De deskundige heeft in bijlage 2 van zijn rapport in het kader van de berekening van het bedrag van € 77.922,- namelijk het volgende vermeld:
1.3komen op tegen de overweging in rov. 2.6 van het eindarrest dat de gecorrigeerde jaarwinst over 2008 € 25.422,- bedraagt.
Subonderdeel 1.4houdt in dat het slagen van deze klachten ook de daarop voortbordurende overwegingen en berekeningen in rov. 2.6, 2.8 en het dictum vitieert. De klachten slagen. De berekening van de gecorrigeerde jaarwinst over 2008 in rov. 2.6 berust eveneens op het uitgangspunt dat het resultaat in 2008 over 45 weken blijkens het deskundigenrapport € 77.922,- zou zijn geweest. Zoals gezegd, is dat uitgangspunt in het licht van het deskundigenbericht onbegrijpelijk. Dit treft ook de daarop voortbouwende overwe-gingen en berekeningen.
Subonderdelen 1.2-1.4zijn in zoverre terecht voorgesteld.
subonderdeel 2.1lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij slagen voor zover wordt bepleit dat het hof gezien het petitum van de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, had moeten beslissen over de toewijsbaarheid van de beslagkosten. In het genoemde petitum wordt expliciet veroordeling van [eiser] in de beslagkosten gevorderd. Art. 706 Rv Pro bepaalt dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Het hof had derhalve, zo nodig met ambtshalve toepassing van art. 706 Rv Pro, moeten beoordelen of de beslagkosten toe-wijsbaar zijn. De overige klachten van het subonderdeel behoeven geen bespreking. [79]
Subonderdeel 2.2is dus terecht voorgesteld. Datzelfde geldt voor de restklacht van s
ubonderdeel 2.3die opkomt tegen rov. 3 en het dictum van het eindarrest aangezien het hof daarin geen veroordeling in de beslagkosten uitspreekt.
onderdeel 2onder meer aangedragen dat de vraag rijst of Coop gezien het relatief geringe bedrag wel voldoende belang bij haar klacht heeft. Een beperkt financieel belang doet echter, als gezegd (hiervoor 5.6), op zich het belang niet aan een cassatieklacht ontvallen. Dit verweer treft geen doel.
onderdeel 2slagen dus. De stellingen van Coop over de omvang van de beslagkosten (€ 1.059,09) zijn als zodanig niet bestreden. Dit bedrag zal dus in de procedure na verwijzing naar mijn mening in principe toewijsbaar zijn.