Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2011/205 en HR
BNB2012/129 (bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien en op de wijze waarop de partijen de overeenkomst hebben uitgevoerd), (ii) de strekking van art. 9(1)(a) WWB (verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden) en (iii) HR
NJ2007, 446 (als het niet de bedoeling is dat de ‘werknemer’ voor de ‘werkgever’ gaat werken, is geen sprake van een arbeidsovereenkomst), kon de CRvB oordelen dat voor zover belanghebbendes plicht om zich beschikbaar te houden ‘arbeid’ opleverde, die ‘arbeid’ niet voortvloeide uit de overeenkomst, maar uit art. 9(1)(a) WWB. Voor zover de belanghebbende betoogt dat de overeenkomst wél mede ertoe strekte dat hij bij [E] zelf zou kunnen worden tewerkgesteld, gaat het om een in cassatie niet-ontvankelijke motiveringsklacht, gegeven de beperkte cassatiegronden ex art. 75m ZW. Voor zover het middel op dit punt een rechtsklacht inhoudt, is het ongegrond: de CRvB heeft, mede gezien HR
NJ2007, 446, terecht geoordeeld dat als het niet de bedoeling is dat de belanghebbende bij [E] gaat werken, er tussen hen geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen bij gebrek aan de vereiste ‘arbeid’. Voor zover het middel op dit punt (mede) de rechtsklacht inhoudt dat de CRvB art. 9(1)(a) WWB verkeerd heeft uitgelegd, is het mijns inziens niet-ontvankelijk, bij gebrek aan een wettelijke bepaling die u bevoegd maakt die uitleg te toetsen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
Kamerstukken II1996/97, 25 263, nr. 3, p. 33). Voor een uitzendovereenkomst moet daarom volgens de belanghebbende eerst zijn voldaan aan de vereisten van art. 7:610 BW Pro, zodat reeds een arbeidsovereenkomst bestaat tussen de werknemer en de uitzender, en vervolgens moet (ook) worden voldaan aan de voorwaarden van art. 7:690 BW Pro. De aanwezigheid van een inlener is geen voorwaarde voor het ontstaan van een arbeidsovereenkomst.
4.Privaatrechtelijke dienstbetrekking?
De arbeidsovereenkomst en het persoonlijk verrichten van arbeid
NJ2007/449 [4] van uw eerste kamer geeft het volgende beoordelingskader voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst:
BNB2011/205 [5] geeft een kader voor de beoordeling van de vraag of zich een dienstbetrekking voordoet. Uit onder meer [6] dit arrest volgt dat de termen ‘privaatrechtelijke dienstbetrekking’ en ‘arbeidsovereenkomst’ congrueren:
BNB2012/129 [7] betrof de vraag of de B-aandeelhouders van een notariskantoor een arbeidsovereenkomst hadden of fiscaalrechtelijk ondernemer waren. U overwoog, onder verwijzing naar uw Gouden Kooi-arrest:
stewardsna afloop van hun dienst [11] en bij het wonen in een ‘gouden kooi’ voor opnamen van een televisieprogramma. [12] Wel moet de prestatie – de beschikbaarheid van de werknemer – jegens de werkgever reëel zijn in de zin dat zij economische waarde heeft voor de werkgever.
NJ2007, 446 [13] oordeelde uw eerste kamer dat geen arbeidsovereenkomst is een overeenkomst bij het sluiten waarvan de partijen nooit de bedoeling hebben gehad dat arbeid zal worden verricht:
dearbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever (…)’. [35] Daarbij is het van groot belang dat er niet wordt gesproken van ‘
eenarbeidsovereenkomst’, maar van ‘
dearbeidsovereenkomst’. Daarmee wordt aangegeven dat het in feite gaat om een bijzondere arbeidsovereenkomst die als uitzendovereenkomst wordt gekwalificeerd. [36] Hiermee wordt het mogelijk dat er bijzondere afspraken kunnen worden gemaakt tussen de (uitzend)werkgever en de (uitzend)werknemer. [37] Vervolgens is een argument dat het niet de bedoeling is geweest om de uitzendrelatie in een andere contractvorm dan een arbeidsovereenkomst, dus bijvoorbeeld als een overeenkomst tot aanneming van werk (…) onmogelijk te maken. [38] Tot slot moet worden gekeken naar de bedoeling van art. 7:690 BW Pro. De wetgever heeft voor de uitzendovereenkomst, die een arbeidsovereenkomst is, een aantal afwijkingen willen opnemen van de regeling die voor de overeenkomst die is aangegaan voor bepaalde tijd geldt (…). Dat is uiteraard alleen nodig voor uitzendovereenkomsten, die arbeidsovereenkomsten zijn. Daarom is aangegeven onder welke voorwaarden kan worden afgeweken, als de partijen hun arbeidsovereenkomst als uitzendovereenkomst hebben gekwalificeerd. [39] ”
Kamerstukken II 1996/97, 25 263, nr. 3, p. 33). Dat betekent dat, om te kunnen spreken van een uitzendovereenkomst, vooreerst moet zijn voldaan aan de vereisten van art. 7:610, waarna de betreffende arbeidsovereenkomst uiteraard ook moet voldoen aan de overige kenmerken die art. 7:690 noemt Pro. Dit betekent dat uitzendrelaties, die niet voldoen aan de in art. 7:610 genoemde Pro kenmerken voor de arbeidsovereenkomst, geen uitzendovereenkomst zijn in de zin van het BW, en dus ook niet onder de werking van art. 7:690 vallen Pro (In andere zin Verhulp,
SR2001, afl. 4.). Wel moet de vraag of voldaan is aan de wezenskenmerken van art. 7:610 (persoonlijke arbeid, loon en gezagsverhouding) worden beantwoord in samenhang met art. 7:690; zo zal nog steeds sprake zijn van een gezagsverhouding tussen uitzender en uitzendkracht, wanneer de werkzaamheden onder leiding en toezicht van de inlener worden verricht (CRvB 31 oktober 2005,
JIN2005/370). Zie hierover ook Hoogeveen,
ArA2007/3, p. 6-7.”
Tekst en Commentaar Arbeidsrechtis opgenomen. De wordingsgeschiedenis van art. 7:690 BW Pro kan mijns inziens echter niet anders uitgelegd worden dan dat deze visie onjuist is. Als er al een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW Pro aan de arbeidsverhouding ten grondslag ligt, komt men aan art. 7:690 BW Pro niet toe. Het artikel is niet geschreven voor reeds als arbeidsovereenkomst gekwalificeerde relaties. Hernieuwde kennisname van de context en de wetgeschiedenis van art. 7:690 BW Pro zal dan ook naar mijn opvatting moeten leiden tot een wijziging in de rechtspraak en rechtspraktijk.”
RSV2004/215 [47] betrof zeven personen die voor een deel van het jaar werden uitgeleend om voor een bedrijf in de bloembollensector te werken. Over de vraag of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking overwoog de CRvB:
f.
detacheringsovereenkomst: de uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding in fase A, fase B of C;
k.
inschrijving: de pre-contractuele fase die vooraf kan gaan aan de uitzendovereenkomst, waarbij de uitzendkracht aan de uitzendonderneming te kennen geeft mogelijk beschikbaar te zijn voor uitzendarbeid en de uitzendonderneming aan de aspirant-uitzendkracht te kennen geeft deze aan te merken als mogelijke kandidaat voor terbeschikkingstelling in de toekomst;
l.
opdracht: de overeenkomst tussen opdrachtgever en uitzendonderneming, die ertoe strekt dat aan de opdrachtgever een uitzendkracht ter beschikking wordt gesteld;
(…)
uitzendbeding: de bepaling in de uitzendovereenkomst waarbij wordt bedongen dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht door de uitzendonderneming aan de opdrachtgever op verzoek van de opdrachtgever ten einde komt (zie artikel 7:691 lid 2 BW Pro);
terugvalloon: het beginsalaris als bedoeld in artikel 22 van Pro de CAO bij twee functiegroepen lager dan de functie van de laatst beëindigde terbeschikkingstelling, verhoogd met een ervaringstoeslag die overeenkomt met de waarde van een periodiek (2,75 procent) per 52 door de uitzendkracht voor die uitzendonderneming gewerkte weken, met dien verstande dat dit loon nimmer lager mag zijn dan 90 procent van het feitelijk loon in de laatst beëindigde terbeschikkingstelling en ten minste het wettelijk minimumloon bedraagt. Het terugvalloon zal het laatstverdiende loon niet overstijgen;
Aanvang van de uitzendovereenkomst
Aard van de uitzendovereenkomst
Fase A
Fase B
b. Fase B duurt twee jaar. De uitzendkracht is niet werkzaam in fase C (zie hierna lid 3 van dit artikel) zolang niet meer dan twee jaar is gewerkt in fase B en/of niet meer dan acht detacheringsovereenkomsten voor bepaalde tijd in fase B zijn overeengekomen met dezelfde uitzendonderneming.
(…)
Fase C
b. In fase C is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een detacheringsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
5.De verplichtingen van de bijstandsgerechtigde op basis van art. 9 WWB Pro
6.Beoordeling van het middel
BNB2011/205 (4.4 hierboven) en HR
BNB2012/129 (4.5 hierboven) moet bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die de partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar ook de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.
nietis dat de belanghebbende bij [E] gaat werken), meent dat voor zover belanghebbendes verplichting om zich beschikbaar te houden totdat een inlener is gevonden ‘arbeid’ oplevert, die ‘arbeid’ (die beschikbaarheidsverplichting) niet voortvloeit uit de overeenkomst, maar uit art. 9 WWB Pro. Mede gezien HR
NJ2007, 446 (zie 4.7 hierboven) is er dan tussen hen geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen omdat de gesloten overeenkomst niets veranderde aan de publiekrechtelijk reeds bestaande verplichting om zich beschikbaar te houden om bij een derde te gaan werken, zodat de factor ‘arbeid’
civielrechtelijkontbreekt totdat een inleenovereenkomst is gesloten. Ik merk op dat u denkelijk ook ’s Raads uitleg van art. 9 WWB Pro niet kunt toetsen, bij gebrek aan een bepaling die u daartoe bevoegd verklaart. [59]
nietgesproken over plaatsing bij een inlener (zie r.o. 5.5), maar juist over productieve arbeid bij het productiebedrijf van [naam bedrijf] zélf. [62] De betrokkene en [naam bedrijf] hebben zich ook gedragen naar een (tweezijdige) arbeidsovereenkomst tussen hen, onder meer door de rondleiding op de assemblageafdeling van het productiebedrijf van [naam bedrijf] met het oog op productieve arbeid aldaar door de betrokkene, door de loonbetaling door [naam bedrijf] over de proeftijd ondanks de ziekmelding en door de opzegging door [naam bedrijf] binnen de proeftijd. Belanghebbendes geval verschilt daarvan, nu (i) zijn overeenkomst met [E] niet mede bepaalt dat hij door [E] aan te wijzen werkzaamheden zal verrichten, (ii) hij geen rondleiding met het oog op productieve arbeid heeft gehad bij enige – wellicht ook niet-bestaande – productie-afdeling van [E] en (iii) [E] (dus ook) niet binnen enige proeftijd heeft opgezegd.