Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt in een drietal, deels met elkaar samenhangende, klachten uiteen. Volgens de eerste klacht is het Hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het aan de betrokkene toe te rekenen voordeel van fl. 250,00 per kilogram hasjiesj, nu het ten onrechte heeft nagelaten daartoe de redenen op te geven. De tweede klacht houdt in dat de door het Hof, bij de schatting van de hoogte van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, gehanteerde “Opbrengst verkoop” van fl. 4.600,00 per kilogram niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De derde klacht luidt dat het Hof er kennelijk van is uitgegaan dat de betrokkene de hasjiesj naar Engeland heeft gebracht en daar heeft verkocht, zulks in strijd met de inhoud van bewijsmiddel 1 en de bewezenverklaring in de hoofdzaak, nu daaruit blijkt dat de hasjiesj door de betrokkene naar België is gebracht.
.
Nadere bewijsoverweging
dezepartij hasj niet is betwist door de verdediging. Voorts blijkt uit het proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg van 22 april 2004 (blad 3) dat de verkoopprijs van een kilogram hasj (ook) is ontleend aan de eertijds door Interpol aan de zaaksofficier van Justitie verstrekte groothandelsprijs op de Engelse markt. Dat de verkoopprijs in Engeland omgerekend dus ongeveer fl. 4.600,00 bedroeg, is door de verdediging op geen enkel moment weersproken. Bovendien is hier wellicht nog verdedigbaar dat het om een feit van algemene bekendheid gaat dat geen bewijs behoeft, nu de (gemiddelde) verkoopprijs van een kilogram hasj makkelijk was (en is) terug te vinden in openbare bronnen.
tweede middelklaagt dat het Hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot enkele kostenposten, zonder dat het daartoe de redenen heeft opgegeven.
“Investeringen
Aftrekkosten
derde middelkeert zich tegen de optelling van het vervolgprofijt bij het wederrechtelijk genoten voordeel.
vierde middelricht zich met verschillende klachten tegen de overweging van het Hof met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn.
Redelijke termijn