Conclusie
eerste middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2014 op de juiste wijze is uitgebracht, terwijl de verdediging ter zitting heeft aangevoerd dat het adres waarnaar de oproeping in Spanje is verzonden niet goed gespeld is.
overige middelen(de middelen 2 tot en met 10) komen met verschillende sterk samenhangende klachten tegen de bewezenverklaring op. Zij kunnen gezamenlijk worden besproken. Voordat ik hiertoe overga zal ik eerst de bewezenverklaring, de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen weergeven.
middel 2komt op tegen het aannemen door het hof van een redelijk vermoeden van schuld aan witwasdelicten;
middel 3behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer blijkt dat de verdachte niet op eigen initiatief aangifte heeft gedaan van het geld dat hij bij zich had en desgevraagd bij de douane een te laag bedrag heeft opgegeven kennelijk ter ontduiking van de meldgrens;
middel 4betreft de klacht dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is;
middel 5bevat de stelling dat in tegenstelling tot het oordeel van het hof, de verdachte van meet af aan een concrete, verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag;
middel 6voegt hieraan nog toe dat de verklaringen van de verdachte, anders dan het hof heeft aangenomen, verifieerbaar waren;
middel 7behelst de klacht dat ondanks de omstandigheid dat het hof opdracht heeft gegeven tot het instellen van een nader onderzoek naar [A] , aan dit onderzoek geen uitvoering is gegeven en het hof vervolgens ten onrechte voorrang heeft gegeven aan het belang van een voortvarende afdoening. Gesteld wordt dat het hof daarbij, door nader bewijs van de verdachte te verlangen, de bewijslast op ontoelaatbare wijze heeft omgekeerd;
middel 8borduurt op middel 7 voort doordat daarin de stelling wordt betrokken dat nu het nadere onderzoek dat door het hof is gelast niet is uitgevoerd, het hof niet had mogen concluderen dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf en dat de verdachte dit wist;
middel 9wordt de stelling betrokken dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de verdachte gegeven verklaring niet waarschijnlijk is;
middel 10wordt tenslotte opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de door de verdachte in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën van stukken niet kunnen dienen ter onderbouwing van de gestelde autohandel, nu de verdachte daarnaast een originele “Affadavit of facts”van [betrokkene 2] heeft overgelegd, die zijn verklaring ondersteunt.
bills of lading) en twee bewijzen van wisseltransacties (
exchange receipts) niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag.