Conclusie
1.[eiser 1] ,
[eiseres 2],
[eiseres 3] ,
1.Feiten en procesverloop
Nieuwe stellingen van [eiseres 3]
2.Bespreking van het middel
klacht II (nr. 18)voor zover daarin wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat de aansprakelijkheid van de Gemeente jegens [eiseres 3] wegens schending van de beslistermijn moet worden beoordeeld aan de hand van de in de arresten van de Hoge Raad van 22 oktober 2010 en 11 januari 2013 bedoelde zorgvuldigheidsmaatstaf. Zoals blijkt uit het arrest van 11 januari 2013 is daarvoor niet maatgevend of de benadeelde al dan niet een belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 1 Awb Pro is. [22] Het middel wijst er voorts terecht op dat [eisers] bij MvG nrs. 19-22 zich erop hebben beroepen dat het schending van de beslistermijn jegens haar om deze reden onzorgvuldig was. [23]
klacht III, dat is gericht tegen het oordeel in rov. 2.17, tweede volzin, dat [eiseres 3] niet gesteld zouden hebben dat zij anderszins door de normschending is getroffen in enig belang. Gezien het hierboven bij 2.4 opgemerkte, meen ik dat de klacht terecht veronderstelt, dat het hof daarmee bedoelt dat niet gesteld zou zijn dat [eiseres 3] ‘anders dan door de enkele normschending’ in zijn belang is getroffen. Zo gelezen, is dat oordeel inderdaad niet afdoende gemotiveerd in het licht van het betoog in de MvG nrs. 19-22, zoals weergegeven in de klacht.
klacht IIgeen nadere bespreking voor zover daarin wordt betoogd dat het hof op de voet van art. 25 Rv Pro ambtshalve had dienen te onderzoeken of in de gegeven omstandigheden schending van de publicatieplicht en het planologisch overgangsrecht door de Gemeente jegens (naar ik begrijp) [eiseres 3] onzorgvuldig was.
nrs. 10-12is in eerste instantie (pleitnota nrs. 8, 11 en 12) en in de memorie van grieven (nrs. 17 en 20) uitvoerig uiteengezet dat de Gemeente in strijd met artikel 46 lid 1 Woningwet Pro (oud) niet binnen 12 weken heeft beslist op de aanvraag voor een bouwvergunning. In MvG nr. 20 is bijvoorbeeld expliciet gesteld:
nr .13is eerste instantie (pleitnota nrs. 6, 19 en 22) en in de memorie van grieven (nrs. 13 en 18) uitvoerig uiteengezet dat de Gemeente de van rechtswege verleende vergunning niet openbaar heeft gemaakt en niet heeft gepubliceerd. Daarbij heeft [eiser 1] expliciet aangevoerd dat de Gemeente heeft verzuimd om van de van rechtswege verleende vergunning mededeling te doen in een plaatselijk nieuwsblad (pleitnota nr. 6, waarnaar is verwezen in MvG nr. 26). De stelling van [eiser 1] bij pleidooi in hoger beroep dat de Gemeente onzorgvuldig jegens [eiser 1] heeft gehandeld door de fictieve bouwvergunning niet, zoals gebruikelijk is, te publiceren in plaatselijke kranten, is dus een herhaling althans slechts een nadere precisering van eerder in genomen stellingen. Daarom is het oordeel dat het nieuwe stellingen betreft onbegrijpelijk, aldus de klacht.