Conclusie
2.Voorwaarden (...)
3. Duur, verlenging en opzegging
2.Bespreking van het cassatiemiddel
zou hebben kunnenworden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Deze maatstaf werd ook wel de retrospectieve vergelijking met het hypothetisch rechtmatig besluit genoemd [16] .
[…] / […]) [18] – dat aansprakelijkheid van een bestuursorgaan ter zake van een door de bestuursrechter vernietigd begunstigend besluit betrof – heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het bestaan van het causaal verband tussen onrechtmatig besluit en schade dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan
zou hebben(curs. A-G) beslist (of gehandeld) indien het niet het onrechtmatig besluit had genomen en dat er geen grond is om het csqn-verband anders vast te stellen indien het gaat om een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan. De Hoge Raad verwoordde het als volgt:
Grubbenvorst/Caldenbroich), en HR 10 april 2009 [20] (
[…] / […]). Wordt een begunstigend besluit door de bestuursrechter (onherroepelijk) vernietigd, dan kan de aanvrager daarom op grond van onrechtmatige daad aanspraak maken op vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt, mits het bestuursorgaan ook een begunstigend besluit zou hebben genomen indien het wel overeenkomstig de wet zou hebben beslist. Dit laatste zal in beginsel kunnen worden aangenomen als het bestuursorgaan, wanneer het na de vernietiging opnieuw beslist, andermaal een begunstigend besluit neem en dat besluit, al dan niet na daartegen ingesteld bezwaar en beroep, onherroepelijk wordt. Dit laatste kan echter ook worden afgeleid uit andere omstandigheden.”
Biolicious) [21] bij deze causaliteitsmaatstaf aangesloten en heeft als volgt geoordeeld:
UWV/J) [22] heeft de Hoge Raad de gelding van dit causaliteitscriterium over de gehele linie van het besluitenaansprakelijkheidsrecht bevestigd [23] en van een nadere uitwerking voorzien. De zaak die tot dit arrest leidde, betrof een vordering van een ontslagen werknemer op het UWV tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad wegens het verrichten van onvoldoende en onjuist onderzoek in het kader van de verlening van een ontslagvergunning. Het UWV erkende onrechtmatig jegens de werknemer te hebben gehandeld, maar betwistte het causaal verband tussen dit onrechtmatige handelen en het aan de werknemer verleende ontslag en voerde daarbij aan dat het die vergunning ook zou hebben verleend als het wel zorgvuldig zou hebben gehandeld. Tegen het besluit op de aanvraag van een ontslagvergunning als bedoeld in art. 6 BBA Pro (oud) stond geen bezwaar of beroep open, zodat zich niet de situatie voordeed dat het bestuursorgaan opnieuw in de zaak moest voorzien door het nemen van een nieuw besluit.
Enschede/Gerridzen), rov. 4.2.3, en HR 19 december 2008 [25] )
[…] / […]), rov. 3.5.2).
[…] / […], t.a.p.).
Ad c en d: causaal verband en schade) Er is onmiskenbaar sprake van causaal verband tussen de onterechte weigering en de geleden schade. Doordat gedaagde ten onrechte de bouwvergunning heeft geweigerd, zijn op 1 juni 2010 de ontbindende voorwaarden in werking getreden en zijn de overeenkomsten ontbonden. Overigens wijzen eisers er voor de volledigheid op, dat er ook nog een bouwvergunning fase II noodzakelijk was, maar die is toen (nog) niet aangevraagd. Zonder een vergunning fase I kan er sowieso niet gebouwd worden en totdat die vergunning is verleend, is het aanvragen van een bouwvergunning fase II een zinloze exercitie. De bouwplannen waren overigens al bij de aanvraag fase I wel zo tot in detail uitgewerkt, dat het verlenen van de vergunning fase II een formaliteit zou zijn geweest. Er wordt immers alleen aan de eisen van de bouwverordening en het bouwbesluit getoetst en eventuele strijdigheden worden in de praktijk altijd opgelost.”
had moetendoen, terwijl beoordeling van het csqn-verband nu juist, zoals hiervoor is uiteengezet, een feitelijke beoordeling vergt van wat het college
zou hebbengedaan [42] , ligt in de stellingname van [eiseressen] dat de gemeente binnen 6 of 12 weken na 28 april 2008 [43] op de aanvraag vergunning fase I had moeten beslissen (en die vergunning had moeten verlenen) m.i. de stelling besloten dat het college dat – in het hypothetische geval zonder normschending – zou hebben gedaan. Ik leid dat ook af uit de hierna geciteerde paragrafen in de pleitnota in hoger beroep, die duidelijk betrekking hebben op genoemde hypothetische situatie:
subonderdeel 2.4met de klacht dat, voor zover daaruit zou moeten worden begrepen dat het hof deze verklaringen niet of slechts voor een (zeer) gering deel heeft laten meewegen, deze beslissing onjuist, althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd (i) in het licht van de duidelijkheid en eenduidigheid van de verklaring (nota bene van de contractspartij / afnemer van [eiseressen] ) ten gunste van [eiseressen] waartegenover door de gemeente geen afwijkende verklaring is geplaatst, en (ii) in het licht van de vraag op welke (andere) wijze [eiseressen] dan had dienen te bewijzen dat, kort gezegd, verlenging van de ontbindingsmogelijkheid mogelijk was, zoals in de contractspraktijk in de vastgoedwereld gebruikelijk was.
subonderdeel 3.2. Daarin wordt geklaagd dat, met het hanteren van het uitgangpunt in rov. 21 dat vaststaat dat zonder mechanisch parkeersysteem niet werd voldaan aan de parkeernormen en dat de noodzaak van een dergelijk systeem tot vertraging in de besluitvorming zou hebben geleid, de beslissing van het hof niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Het subonderdeel wijst erop dat [eiseressen] juist uitdrukkelijk en gemotiveerd hebben betoogd dat ook zonder mechanisch parkeersysteem werd voldaan aan de parkeernormen.