Conclusie
[verzoeker],
Ten aanzien van [verzoeker]
Onderdeel 1klaagt dat het hof in rov. 3.1 uitgaat van een verkeerde voorstelling van zaken wat betreft de totale schuldenlast van [verzoeker]: formeel gesproken zou de door het hof genoemde schuldenlast wel kloppen, maar [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling in appel gemotiveerd aangevoerd dat de schuldenlast aanzienlijk lager ligt. Deze klacht is verder niet uitgewerkt en voldoet daarmee niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Het is overigens een vaststelling die aan het hof als feitenrechter is voorbehouden, die op grond van de overgelegde stukken geenszins onbegrijpelijk is te achten.
Onderdeel 2klaagt dat het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd i) het door [verzoeker] bij beroepschrift [6] en ter zitting [7] gedane bewijsaanbod heeft gepasseerd, en ii) in rov. 3.6 heeft geoordeeld dat [verzoeker] niet of onvoldoende aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden.
getuigenbewijsaanbod en alleen over een zodanig bewijsaanbod bestaan regels voor het al dan niet kunnen passeren daarvan door de feitenrechter, die overigens niet lijken te gelden voor procedures voorzien in de Faillissementswet [8] . De portee van het oordeel van het hof is dat [verzoeker]
onvoldoende onderbouwd heeft gesteld, omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald blijven van zijn schulden aan i) het CJIB, ii) de belastingdienst en iii) aan De Booij te goeder trouw is geweest. Blijkens de door het hof gegeven motivering in rov. 3.6 t/m 3.9 berust dit oordeel vooral op de overweging dat [verzoeker] heeft nagelaten voldoende stukken aan te leveren om zijn stellingen te onderbouwen. Bij schending van de stelplicht, komt men aan bewijslevering niet toe. Van innerlijke tegenstrijdigheid, zoals de klacht aanvoert, is geen sprake, zodat dit ook feitelijke grondslag mist.
Onderdeel 3klaagt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan [verzoekers] grief bij beroepschrift onder 15 dat hij wel te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van de CJIB-boetes, omdat hij deze niet met opzet heeft laten ontstaan en hij zich niet heeft gerealiseerd dat dit wellicht nadelig zou kunnen zijn voor zijn schuldeisers, alsmede dat het bedrag van € 1.874,43 aan CJIB-boetes niet buitenproportioneel is (maar de daarop toegepaste verhogingen wel) en met een schenking van een derde zijn betaald, waarvan bewijs kan worden geleverd.
Onderdeel 4voert in de kern aan dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan [verzoekers] grief bij beroepschrift onder 17 dat door de niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg er geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden in twee instanties en ten onrechte [verzoekers] aanhoudingsverzoek is afgewezen, hetgeen in strijd zou zijn met het door de wetgever tot stand gebrachte systeem van rechtspraak in twee instanties en het uit art. 6 EVRM Pro voortvloeiende beginsel van
fair trial. Volgens het onderdeel had het hof de zaak moeten terugverwijzen naar de rechtbank voor een inhoudelijke beoordeling, waarna eventueel in appel door [verzoeker] fouten zouden kunnen worden hersteld.