Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Anayo v. Germany, appl. no. 20578/07 en EHRM 15 september 2011 in de zaak
Schneider v. Germany, appl. no. 17080/07.
2.Bespreking van de prejudiciële vragen
eersteprejudiciële vraag van het hof luidt of het ongeclausuleerde wettelijk erkenningsverbod voor een met een andere vrouw dan de moeder gehuwde man, welk verbod in Sint Maarten gold vóór 15 januari 2001, wat betreft de verwekker beschouwd kan worden als een inmenging in zijn recht op respect voor zijn privéleven (‘private life’) zoals bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM Pro.
.
Pretty/Verenigd Koninkrijk) [9] :
Paradiso & Campanelli/Italië), waarin de lijn van de vaste rechtspraak wordt bevestigd en wordt overwogen:
Ahrens/Duitsland) [10] :
Anayo/Duitsland [12] en
Schneider/Duitsland [13] , hebben dezelfde strekking, zij het dat deze zaken geen betrekking hebben op de afstamming maar – kort gezegd – op contact tussen vader en kind. In beide gevallen werd de vaders contact met hun kinderen onthouden op grond van een beslissing van een nationale rechterlijke instantie. Daarmee was volgens het EHRM het recht op eerbiediging van ‘private life’ van de vaders in het geding.
Anayo/Duitslanden
Schneider/Duitslandals volgt overwogen:
Paradiso & Campanelli/Italië:
tweedeprejudiciële vraag van het hof luidt, of bij bevestigende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag, de beslissing van de Hoge Raad in zijn uitspraak van 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1689, NJ 1990/450, toegepast kan worden op het geval dat een verwekker op 6 juni 1990 zijn kind heeft erkend, zonder dat tussen hem en het kind op dat moment familie- en gezinsleven (‘family life’) bestond.
Paradiso & Campanelli/Italië, rov. 181:
derdeprejudiciële vraag wenst het hof te vernemen of, aangenomen dat op 6 juni 1990 de gehuwde verwekker naar het recht van Sint Maarten niet bevoegd was zijn kind te erkennen, dit naar ongeschreven regels van internationaal privaatrecht van Sint Maarten betekent dat de buitenlandse erkenning van 6 juni 1990 niet in Sint Maarten kon worden erkend. Deze vraag neemt als uitgangspunt dat de man op 6 juni 1990 naar het recht van Sint Maarten niet bevoegd was zijn kind te erkennen op grond van het destijds geldende absolute erkenningsverbod van art. 330 lid Pro 1, aanhef en onder b, BWNA. Zie ik het goed, dan betreft deze vraag niet de situatie waarin met een beroep op de eerbiediging van het in art. 8 lid 1 EVRM Pro verankerde recht op ‘private life’ van de verwekker het absolute erkenningsverbod van art. 330 lid Pro 1, aanhef en onder b, BWNA doorbroken zou kunnen worden (zie de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag).
vierdeprejudiciële vraag wijst het hof erop dat per 15 januari 2001 de wet in Sint Maarten aldus is gewijzigd dat de verwekker als gehuwde man wel bevoegd is het kind te erkennen. De vierde vraag houdt in of, aangenomen dat het antwoord op de derde vraag zou zijn dat op 6 juni 1990 naar ongeschreven regels van het internationaal privaatrecht van Sint Maarten erkenning in Sint Maarten van de buitenlandse erkenning van een kind niet mogelijk was, deze erkenning vanaf 15 januari 2001 wel mogelijk is.
vijfdeprejudiciële vraag wenst het hof van Uw Raad te vernemen of, bij bevestigende beantwoording van de vierde prejudiciële vraag, de erkenning in Sint Maarten vanaf 15 januari 2001 van de buitenlandse erkenning van het kind tot gevolg heeft dat het kind Nederlander is.
zesdeen de
zevendeprejudiciële vragen zijn alleen van belang in het geval dat verzoeker aanspraak zou maken op het Nederlanderschap op grond van de buitenlandse erkenning door de man. Aangezien dit niet het geval is, behoeven deze vragen geen beantwoording.