Conclusie
[verzoekster 1]
[verzoeker 2]
1.Feiten en procesverloop
- i) Bij vonnis van 2 juli 2012 zijn de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Participatiemaatschappij Zuid-Holland B.V. en Investeringsmaatschappij Zuid-Holland B.V. in staat van faillissement verklaard met benoeming – na enkele personele wijzigingen – van mr. A.M.P.T. Blokhuis tot rechter-commissaris (hierna: de rechter-commissaris) en mr. J.C.A. Herstel tot (opvolgend) curator (hierna: de curator).
- ii) Op 1 december 2015 heeft de curator bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, een procedure aanhangig gemaakt tegen [verweerder] , [B] B.V. en [A] B.V. In deze procedure heeft de curator – kort gezegd – veroordeling van [verweerder] gevorderd tot betaling van het tekort in beide faillissementen op grond van onder meer bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van artikel 2:248 BW Pro. Ook heeft de curator vorderingen ingesteld tegen [verweerder] en de twee rechtspersonen op grond van paulianeus handelen en/of een betaling middels een niet-toelaatbare verrekening ex artikel 54 Fw Pro.
- iii) De comparitie van partijen in voornoemde zaak heeft plaatsgevonden op 9 november 2016. Toen is onder meer gesproken over een minnelijke regeling. Het overleg daarover is voortgezet na sluiting van de comparitie. In het kader van die minnelijke regeling heeft [verweerder] aan de curator voorgesteld tegen finale kwijting over en weer, welke finale kwijting dan ook moet worden verleend aan [B] B.V. en [A] B.V., een bedrag van € 35.000,00 te betalen aan de boedels van de gefailleerde vennootschappen. Bij het voorstel van [verweerder] is ten behoeve van de curator het recht opgenomen [om] indien de door [verweerder] ter onderbouwing van zijn voorstel gegeven opstelling van zijn privé-vermogen op enig moment onvolledig of onjuist zou blijken, de tussen partijen naar aanleiding van het voorstel overeen te komen vaststellingsovereenkomst te ontbinden en de procedure voort te zetten.
nietakkoord met de schikking met [verweerder] . Ik begrijp dat de procedure geen gelopen race is, maar ik wil toch het eindvonnis daarin zien. In geval van verlies, het zij dan zo, in geval van winnen is er nauwelijks verhaal. In dat geval zal het privé faillissement van [verweerder] aangevraagd moeten worden. Het doorzetten van de procedure vind ik, nu het voor de schuldeisers eigenlijk niet uitmaakt, maatschappelijk gezien, het meest verantwoord.
“ter voorkoming van enig misverstand”de rechtbank erover geïnformeerd dat hij pas sinds kort op de hoogte was van de zitting d.d. 20 februari 2017 en dat hij vanwege werk in het buitenland niet afdoende tijd heeft gehad om zijn standpunten uit te werken. [10]
2.Ontvankelijkheid cassatieberoep
3.Beoordeling van het cassatieberoep
Bovendien heeft degene tegen wie met machtiging van de rechter-commissaris een procedure kan worden aangespannen, als zodanig geen belang of taak bij het toezicht op het beheer en de vereffening van de boedel, in welk kader de betrokken machtiging is gegeven.Mede in aanmerking genomen dat het faillissementsrecht gericht is op een vlotte afwikkeling van het faillissement en dat degene tegen wie de curator gemachtigd is een procedure te beginnen zijn bezwaren in die procedure naar voren kan brengen, moet dan ook worden aangenomen dat art. 67 lid 1 Fw Pro hem niet de mogelijkheid biedt op te komen tegen de aan de curator verleende machtiging een procedure tegen hem aan te spannen.”
tot wiede beschikking van de rechter-commissaris op de voet van art. 104 Fw Pro
is gericht. Over deze vraag heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten.
gehoord. In die zaak ging het echter
nietom de vraag aan wie op grond van art. 67 Fw Pro het recht van
hoger beroeptoekomt. Het recht van de beoogde contractspartij om in de beroepsprocedure te worden gehoord impliceert, anders dan [verweerder] in cassatie stelt (s.t. nr. 26), niet dat aan deze partij het recht van beroep toekomt. [18]
bescheiden en gegevenswaarvan zij wist dat [verzoeker] c.s. er geen kennis van hadden genomen of hadden kunnen nemen.
te laat door de curator zijn opgeroepen en geïnformeerd over het procesverloop. Daardoor zijn zij geschaad in hun mogelijkheden hun verweer afdoende voor te bereiden en uit te werken. Zij waren daardoor ook niet meer in de gelegenheid om de zitting bij te wonen aangezien deze op het laatste moment niet meer kon worden ingepast. Zij hebben dit alles ook aangegeven. Daar waar de rechtbank wel inging op soortgelijke bezwaren van [verweerder] en daar uitdrukkelijk een voorziening voor trof, is zij niet ingegaan op de bezwaren van [verzoeker] c.s.
in hoge mate" [20] was geschonden. Het betreft volgens het middel de volgende stellingen:
"als begin van hun reactie". Zij verzoeken de rechtbank een termijn te stellen om zich nader uit te laten.
subonderdeel 2.1faalt.
anders dan bijvoorbeeld [verweerder] ”[verzoeker] c.s.
“te laat”door
“de curator”zijn opgeroepen feitelijke grondslag. Niet uit de beschikking noch uit de overgelegde gedingstukken blijkt wanneer de rechtbank de datum van mondelinge behandeling van het beroep heeft bepaald. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken niet wanneer de curator er van op de hoogte is geraakt dat de zitting op 20 februari 2017 zou plaatsvinden. Tot slot volgt uit deze stukken niet dat [verweerder] door de curator is opgeroepen, laat staan dat [verweerder] eerder dan [verzoeker] c.s. is opgeroepen (door de curator).
“ter voorkoming van enig misverstand”de rechtbank erover geïnformeerd dat hij pas
“sinds kort” [42] op de hoogte is van de zitting d.d. 20 februari 2017 en dat hij vanwege werk in het buitenland niet afdoende tijd heeft gehad om zijn standpunten
“tot in detail”uit te werken.
subonderdeel 2.2.
De curator heeft het beginsel van hoor en wederhoor van belanghebbenden in hoge mate geschonden.”
de curatorjegens belanghebbenden. Van het ontoereikend gemotiveerd passeren van een essentiële stelling is reeds daarom geen sprake.
in de procedure in hoger beroephet recht van [verzoeker] c.s. op hoor en wederhoor (in hoge mate) is geschonden en dat het oordeel van de rechtbank ontoereikend is gemotiveerd omdat zij niet is ingegaan op deze (volgens het middel) essentiële stelling, faalt de klacht wegens gemis aan feitelijke grondslag. Kennelijk heeft de rechtbank in de hiervoor onder 3.36 geciteerde stelling en de onder 3.16.1 sub a t/m d weergegeven (volgens het middel daarmee verband houdende) stellingen geen betoog van die strekking gelezen. Dat is – gezien hetgeen hiervoor onder 3.17-3.20 reeds is opgemerkt en dat mede inhoudt dat [verzoeker] c.s. geen consequenties aan de gestelde schending van hoor en wederhoor hebben verbonden – niet onbegrijpelijk, dit mede omdat [verzoeker] c.s. (slechts) hebben gesteld dat
de curator(en niet de rechter-commissaris of de rechtbank) het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.
subonderdeel 2.3faalt.