Conclusie
eerste middelstelt de vraag aan de orde of de dood van het slachtoffer het gevolg is geweest van het geweld dat verdachte op 20 juli 2013 heeft uitgeoefend (feit 1) en of dat overlijden niet beter past in een causaal verband met het geweld dat verdachte daarvóór (feit 2) heeft gepleegd. De toelichting op het middel citeert uitgebreid uit de pleitnota van hoger beroep, het arrest en de aanvulling met bewijsmiddelen. De steller van het middel betoogt dat de keuze van het hof voor het eerste alternatief onbegrijpelijk is. Niet duidelijk is welke letsels het hof voor ogen stonden toen het hof repte over 'hoofdwond(en)' en 'schedelkneuzing'. Letsels die in aanmerking zouden komen zouden juist vóór 20 juli 2013 zijn ontstaan of niet in verband staan met het overlijden van het slachtoffer. Niet is evident wanneer de breuk van het neusbeen is toegebracht, noch hoe die breuk relevant is voor het overlijden.
Soerdjbalie-Maikoeop 7 april 2016 als deskundige gehoord. Soerdjbalie-Maikoe heeft zakelijk weergegeven onder meer het volgende verklaard.
tweede middelkeert zich tegen de bewezenverklaring in feit 1 van de voorbedachte raad. Daarvoor is nodig dat de daad al is voorgenomen. Voorts was er een contra-indicatie tegen de voorbedachte raad.
derde middelklaagt dat het hof een strafverzwarende omstandigheid van artikel 304, aanhef en onder 1 Sr onjuist heeft uitgelegd omdat het slachtoffer ten tijde van de feiten al meerderjarig was en dus niet kan worden aangeduid als "een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin".
vierde middelklaagt over de strafoplegging. Het hof heeft dezelfde straf opgelegd als is gevorderd door de AG, maar wel voor beduidend minder zware feiten. Bovendien heeft het hof dezelfde straf opgelegd als de rechtbank, terwijl in hoger beroep minder strafverzwarende omstandigheden aan de orde waren dan in eerste aanleg. Het hof had volgens de steller van het middel deze afwijkingen moeten motiveren.