Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
De grieven 1 en 2 in het principaal appel en grief D in het incidenteel appelhebben betrekking op de hoogte van de boetes. Gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen gaat het om de vordering betreffende [betrokkene 2] en [betrokkene 3], derhalve om tweemaal € 20.000,- en 40 + 35 = 75 dagen maal € 5.000,-, derhalve in totaal om € 415.000,- aan gevorderde boetes. Het betreft overtredingen in de periode van nog geen drie maanden: van 1 augustus 2011 tot en met 21 oktober 2011.
3.Boetebedingen en de rechterlijke matigingsbevoegdheid van art. 6:94 BW Pro
accessoirkarakter: de verplichting tot betaling van een contractuele boete is afhankelijk van een tekortkoming in de nakoming van de hoofdverbintenis, zodat de schuldeiser niet zowel betaling van de boete als nakoming van die verbintenis kan vorderen, aldus art. 6:92 lid 1 BW Pro. [17] Betaling van de boete kan in bepaalde gevallen wel naast vervangende schadevergoeding worden gevorderd: art. 6:92 lid 2 BW Pro bepaalt weliswaar dat het boetebedrag in de plaats komt van schadevergoeding ter zake van de wanprestatie, maar partijen kunnen hiervan bij overeenkomst afwijken. [18]
pacta sunt servanda). [24] Dat dit uitgangspunt in de context van boetebedingen niet onverkort geldt, krijgt extra accent doordat de mogelijkheid van matiging niet contractueel kan worden uitgesloten (art. 6:94 lid 3 BW Pro).
Intrahof/Bart Smitnadere invulling gegeven aan de ruimte voor toepassing van de matigingsbevoegdheid: [28]
Intrahof/Bart Smitwordt over het algemeen gezien als een duidelijk signaal dat de matigingsbevoegdheid met terughoudendheid dient te worden toegepast. [29] Roodenburg en Van Swaaij [30] benadrukken dat Uw Raad in dit arrest voor het eerst expliciet heeft aangegeven dat van matiging pas sprake kan zijn als de toepassing van een boetebeding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, waaruit zij afleiden dat die buitensporigheid een
condicio sine qua non(oftewel noodzakelijke) voorwaarde is voor de toepassing van de matigingsbevoegdheid.
Intrahof/Bart Smitis afgeleid dat een enkele wanverhouding tussen de boete en de werkelijke schade een dergelijk oordeel niet kan dragen. [31] Ik ben minder stellig en denk dat het genuanceerder ligt: uit de hiervoor geciteerde overweging uit het arrest
Intrahof/Bart Smitblijkt dat de rechter bij zijn matigingsoordeel ‘niet alleen moet letten op’ de verhouding tussen het boetebedrag en de werkelijke schade, maar ook op de overige relevante omstandigheden van het geval. Uit die bewoordingen blijkt dat een matigingsoordeel niet uitsluitend kan worden gemotiveerd met de vaststelling dat sprake is van een wanverhouding tussen schade en boete, hetgeen echter niet wegneemt dat dat oordeel daarop in de kern wel mag berusten. [32] A-G Wissink heeft dat in zijn conclusie vóór het arrest
[B/C]als volgt verwoord:
Intrahof/Bart Smitniet aan de daaraan te stellen motiveringseisen.” [33]
[B/C]. [37] Daarbij dient bedacht te worden dat een matigingsoordeel in belangrijke mate feitelijk van aard is en daarom in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. [38]
aard van de overeenkomst: het boetebeding dient te worden bezien in de context van de overeenkomst waarvan het deel uitmaakt en de belangen die de overeenkomst beoogt te beschermen; [41]
inhoud en de strekking van het beding:een ‘zuivere’ boete, die bovenop de wettelijke schadevergoeding wordt gevorderd, komt eerder voor matiging in aanmerking dan een boete die in de plaats treedt van de schade, omdat bij die laatste categorie het beginsel geldt dat de schade die is geleden volledig moet worden vergoed. [42] Ook bij matiging van ‘zuivere’ boetes is terughoudendheid echter geboden [43] (hierover nader randnummer 3.12). Verder kan een rol spelen of een boetebeding de enige manier is om nakoming van een verplichting af te dwingen (bijvoorbeeld omdat deze niet op geld waardeerbaar is), [44] of het boetebeding duidelijk is [45] en of de boete aan een maximum gebonden is; [46]
omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan de ernst van de overtreding, [47] de mate van schuld bij de wanprestant [48] en de mate waarin deze zich van de schendingen van het boetebeding bewust is geweest; [49]
hoedanigheid van partijen: in het arrest
[B/C]overwoog Uw Raad dat niets de rechter belet rekening te houden met de hoedanigheid van partijen, zodat het feit dat het boetebeding deel uitmaakt van een koopovereenkomst tussen particulieren kan meewegen bij een matigingsoordeel; een aanpassing van de maatstaf uit het arrest
Intrahof/Bart Smitin die zin dat de rechter in dergelijke gevallen in het algemeen minder terughoudend hoeft te zijn, was volgens Uw Raad echter niet nodig. [50] Dat het gaat om twee professionele partijen speelt – zoals in het algemeen bijvoorbeeld ook het geval is bij een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid bij contracten [51] (waarvan art. 6:94 BW Pro een verbijzondering is) [52] – een belangrijke rol, maar staat niet zonder meer aan matiging in de weg. [53] Ook waar het gaat om twee professionele partijen kan hun onderlinge verhouding en het relatieve verschil in ervaring overigens een factor zijn; [54]
wijze van totstandkomingvan het beding: zoals hiervoor (randnummer 3.4) is besproken, is er in de parlementaire geschiedenis vanuit gegaan dat over boetebedingen in de praktijk vaak niet of nauwelijks wordt onderhandeld. Zijn er aanwijzingen dat dit in een concreet geval inderdaad niet, of juist wel, [55] is gebeurd, dan kan dat van belang zijn voor het matigingsoordeel;
eenheidsboete, waarbij het boetebeding slechts één bedrag koppelt aan vele mogelijke, sterk uiteenlopende overtredingen: wanneer het boetebeding geen mogelijkheid biedt om het bedrag aan de hand van de ernst van de overtreding te differentiëren, kan dat een aanwijzing vóór matiging zijn. [56]
niet klaarblijkelijk onbillijkis. Voorkomen moet worden, dat is een reële valkuil, dat de matigende rechter tot een bedrag komt dat hij redelijk (en billijk) vindt; in dat geval immers plaatst hij zijn idee over wat in het contractuele evenwicht tussen partijen geëigend is, in de plaats van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Het is echter niet aan hem om tot een
redelijkbedrag te matigen; hij moet, het zij herhaald, matigen tot een bedrag dat in de omstandigheden van het geval niet (meer) klaarblijkelijk onbillijk is. Hoewel het praktisch gezien aan de matigende feitenrechter is overgelaten tot welk bedrag hij matigt, dient uit zijn beslissing wel voldoende te blijken hoe hij tot het gekozen bedrag is gekomen en waarom dat bedrag in de omstandigheden van het geval niet klaarblijkelijk onbillijk is. [60] Bij de vaststelling van het bedrag spelen daarom ook de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de beslissing dat gematigd moet worden als zodanig een rol. Het antwoord op de vraag welk bedrag in de gegeven omstandigheden niet klaarblijkelijk onbillijk is, hangt dus samen met de reden(en) waarom onverkorte toepassing van het boetebeding een onaanvaardbaar resultaat zou opleveren.
X./SBS, waartegen in cassatie vergeefs is opgekomen. [61] In deze zaak vorderde X. betaling van een boetebedrag van € 75.000,-- ter zake van vijf overtredingen van een vaststellingsovereenkomst, waarin was afgesproken dat SBS geen fragmenten van een oude uitzending over de vermeende betrokkenheid van X. bij verschillende huurmoorden zou uitzenden. Het hof matigde de gevorderde boete van € 75.000,-- tot € 15.000,--, door de vijf afzonderlijke kortdurende overtredingen (korte flitsvertoningen) als één overtreding te zien, en overwoog daarbij dat hiermee aan het doel van het boetebeding (nakoming van de overeenkomst, met als doel bescherming van de privacy) niet werd afgedaan, terwijl duidelijk was dat X. geen schade had geleden.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen I tot en met Vrichten ieder een klacht tegen het matigingsoordeel van het hof in rov. 3.7.2., 3.7.3., 3.7.4. en 3.7.5. van het tussenarrest van 23 augustus 2016 en tegen de toewijzing van het gematigde bedrag in rov. 3.7.7. De klachten zijn gericht tegen ’s hofs oordeel dat het boetebedrag dient te worden gematigd en de motivering daarvan in het licht van de omstandigheden van het geval (
onderdelen I tot en met IV).
Onderdeel Vbestrijdt de motivering van het bedrag waartoe de boete is gematigd.
Onderdeel VIbevat een voortbouwende klacht die inhoudt dat het slagen van één van de voorgaande onderdelen meebrengt dat ook het eindarrest van 11 oktober 2016 niet in stand kan blijven. Hierna bespreek ik allereerst onderdeel II, daarna gezamenlijk de onderdelen I, III en IV, vervolgens onderdeel V en tot slot onderdeel VI.
onderdelen I, III en IVbehoren te falen.
- in rov. 3.7.2. drie relevante omstandigheden benoemt (de hoedanigheid van partijen, het gegeven dat Protec de hoogte van de boetes heeft bepaald en dat daarover niet is onderhandeld en het ontbreken van een redengeving voor de hoogte van de boete);
- in rov. 3.7.4. rov. 3.21. van de rechtbank citeert over twee andere relevante omstandigheden (het doel van de overeenkomst en de verhouding tussen de boete en de schade) en overweegt dat het hof de rechtbank in deze redenering kan volgen;
- in rov. 3.7.5. tien door Protec gestelde omstandigheden aanhaalt, over omstandigheden 1-5 overweegt dat het hof hiermee rekening heeft gehouden en de omstandigheden 6-10 ieder afzonderlijk heeft voorzien van een ‘tegenwerping’.
onderdelen I, III en IVrichten zich tegen de rov. 3.7.2., 3.7.4., en 3.7.5. en stellen deze kwestie – in onderlinge samenhang gelezen – voldoende aan de orde. In zoverre slagen de klachten.
onderdeel Vterecht is voorgesteld.
X/SBSwaarin vijf korte overtredingen als één overtreding werden aangemerkt) aan zijn oordeel ten grondslag legt (hiervoor randnummers 3.13-3.14).