Conclusie
“medeplegen van moord, strafbaar gesteld bij artikel 2:262 in Pro verbinding met artikel 1:123 van Pro het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd”, 3. primair
“medeplegen van poging tot moord, strafbaar gesteld bij artikel 2:262 in Pro verbinding met de artikelen 1:119 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd”, 5.
“medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, strafbaar gesteld bij artikel 2:334 in Pro verbinding met artikel 1:123 van Pro het Wetboek van Strafrecht”en 6.
“overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 lid 1 van Pro de Vuurwapenverordening 1930, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro deze verordening, meermalen gepleegd”. Het gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het gerecht in eerste aanleg van Curaçao de onttrekking aan het verkeer van een vuurwapen en acht scherpe patronen bevolen en heeft het de vorderingen van negen benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader omschreven in het bevestigde strafvonnis.
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft besloten tot afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek
“tot het horen van een aantal getuigen, onder wie drie opsporingsambtenaren en twee zaaksofficieren van justitie, en/of het verzoek tot het overleggen van stukken betreffende alle strafdocumentatie en optredens van medeverdachten/getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] als getuige in andere onderzoeken en stukken die betrekking hebben op de vraag of voormelde getuigen ooit voor valsheid in geschrift, geweldsdelicten en/of meineed zijn vervolgd”.
tien) getuigen [getuige 1] , [getuige 4] , [getuige 3] , [getuige 5] , [getuige 2] , [getuige 10] , [getuige 11] , [getuige 8] , [getuige 9] en [getuige 7] te horen. [2] Voorts leid ik daaruit af dat het verzoek tot het overleggen van stukken mede ziet op documenten betreffende (kort gezegd) contacten en afspraken met verdachten, getuigen en/of familieleden. [3]
niettevens richt tegen de beslissingen die het Hof heeft genomen bij tussenvonnis van 19 november 2015 naar aanleiding van de onderzoekswensen die de verdediging heeft geformuleerd op de regiezitting van 30 oktober 2015, met inbegrip van het horen van
tiengetuigen. [4]
tiengetuigen, motiveert het Hof in het bestreden vonnis (naar aanleiding van de zittingen van 7 en 8 april 2016) onder meer zijn afwijzing van het verzoek tot oproeping van maar liefst
veertiengetuigen. [8]
enigekenbron van het ter zitting voorgevallene. [10] De vraag is daarmee of bij discrepantie tussen het proces-verbaal van de terechtzitting enerzijds en het mede naar aanleiding van die terechtzitting gewezen vonnis anderzijds een uitzondering moet worden gemaakt op dit zo-even omschreven beginsel, waarbij het vonnis alsdan zou moeten prevaleren. Een dergelijk vertrekpunt komt mij echter niet houdbaar voor. In dat geval zou er van het beginsel namelijk niets overblijven. Daar komt nog eens bij dat het er alle schijn van heeft dat in het vonnis van 28 april 2016 de weergave van de afwijzende beslissing die in dit middel wordt aangevochten niets meer is dan een kopieerabuis van een passage die afkomstig is uit de vonnissen in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , in welke zaken op de zittingen van 7 en 8 april 2016 (inderdaad) om het verhoor van
veertiengetuigen is verzocht.
nietde onderzoekswensen heeft voorgedragen waarop in het middel wordt voortgeborduurd. Voor de bestreden afwijzende beslissing is dus geen basis. Daardoor mist het middel feitelijke grondslag.
tweede middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaringen van het onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5 tenlastegelegde [11] ten aanzien van het ‘medeplegen’ ontoereikend heeft gemotiveerd. Het middel valt blijkens de toelichting daarop uiteen in drie onderdelen.
“6.A Bewijsmiddelen”in het strafvonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 2015 [12] en het bewijsmiddel zoals opgenomen onder het kopje
“Aanvulling bewijsmiddelen”in het vonnis van het Hof van 28 april 2016.
“het bewijs van het medeplegen rust op twee met elkaar innerlijk tegenstrijdige bewijsoverwegingen, die beide essentieel van aard[zijn]
”.De klacht ziet op de volgende overwegingen van het Hof:
“De rol van [getuige 3] en [getuige 2] en ook die van [verdachte] is daarom meer dan enkel ondersteunend geweest maar betrof een actieve bijdrage aan het handelen van de twee schutters MOB en [medeverdachte 3] , ook al hebben zij feitelijk geen schoten gelost”en
“Nadat de twee schutters, waaronder verdachte, weer zijn ingestapt (…)”.
“Nadat de twee schutters, waaronder verdachte, weer zijn ingestapt (…)”moet worden gelezen met weglating van de woorden
“waaronder verdachte”, waardoor resteert:
“Nadat de twee schutters weer zijn ingestapt (…)”. De desbetreffende overweging van het Hof dient in de hiervoor bedoelde zin verbeterd te worden gelezen, waardoor aan het eerste onderdeel van het tweede middel de feitelijke grondslag komt te ontvallen. Het eerste onderdeel van het tweede middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
Er aanwijzingen in het dossier[zijn]
dat elk van de mannen een beloning heeft gehad voor zijn rol”. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof in strijd met art. 381 SvC Pro het bewijs met betrekking tot het ‘medeplegen’ heeft doen berusten op ‘aanwijzingen’, welke niet kunnen worden beschouwd als wettige bewijsmiddelen als bedoeld in art. 382 SvC Pro, en voorts dat het Hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan kan worden ontleend de voor de bewezenverklaring redengevende omstandigheid dat de verdachte een geldelijke beloning heeft ontvangen.
“jij hebt verteld dat de mannen, onder wie [getuige 2][ [getuige 2] ],
van het geld hebben genoten”en vraagt wie hij bedoelde met ‘de mannen’, antwoordt [getuige 3] :
“Ik bedoelde de mannen zoals [getuige 1][ [getuige 1] ]
, [getuige 2][ [getuige 2] ]
, MOB[ [medeverdachte 1] ]
en [medeverdachte 3][ [medeverdachte 3] ]
. Ik bedoelde het geld dat uitbetaald werd voor de moord van [slachtoffer 8][slachtoffer [slachtoffer 8] ]
”(bewijsmiddel 28). [getuige 2] heeft verklaard een bedrag van tienduizend guldens te hebben gekregen om met hen naar de luchthaven te gaan (bewijsmiddel 33).
elkvan de mannen, onder wie dus de verdachte, een beloning zou hebben gekregen, niet onbegrijpelijk.
een wezenlijke bijdrage[heeft]
geleverd aan zowel de uitvoering als de afhandeling van de moord” en dat “
sprake is geweest van bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de op de plaats van het delict betrokken daders”, bestaande in een gezamenlijke uitvoering [22] en dat de verdachte aldus als medepleger betrokken is geweest bij de onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5 bewezenverklaarde feiten, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
derde middelklaagt over ’s Hofs motivering van de onder 3 primair bewezenverklaarde
“voorbedachte raad en/of het voorwaardelijk opzet op de dood”.
“6.A Bewijsmiddelen”in het strafvonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 2015 [23] en het bewijsmiddel zoals opgenomen onder het kopje
“Aanvulling bewijsmiddelen”in het vonnis van het Hof van 28 april 2016.
“het Hof daarbij[heeft]
miskend dat verwondingen aan arm, ellenboog, been, knie, voet en heup jurisprudentieel gezien niet met moord in verband worden gebracht”, maar met een poging tot zware mishandeling. Vervolgens wordt evenwel gesteld dat
“de aard van deze niet dodelijke verwondingen mee[brengt]
dat ondanks de door het[H]
of genoemde omstandigheden in de opzet-bewijsoverweging niet gezegd kan worden dat verzoeker bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de personen met evengenoemde verwondingen heeft aanvaard.”
“de aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht met zich[brengen]
dat het handelen van verdachte zozeer was gericht op het mogelijke gevolg, het toebrengen van de dood van eenieder in zijn schootsveld, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard”(voorwaardelijk opzet) of zijn deze van belang in verband met het oordeel van het Hof dat er sprake is geweest van voorbedachte raad?
“de aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht met zich[brengen]
dat het handelen van verdachte zozeer was gericht op het mogelijke gevolg, het toebrengen van de dood van eenieder in zijn schootsveld, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard”,niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat de omstanders daarbij niet dodelijk letsel hebben opgelopen, doet aan dat oordeel niet af, reeds omdat het Hof heeft vastgesteld dat
“op nietsontziende wijze[is]
geschoten in de richting van [slachtoffer 8] en wie er ook maar in de buurt stond.”De verdediging heeft in hoger beroep niet aangevoerd dat de omstandigheid dat de omstanders geen dodelijk letsel hebben opgelopen het gevolg is van enig handelen van de verdachte noch volgt dit uit ’s Hofs bewijsvoering.