Conclusie
eerste middelbehelst – welwillend gelezen – twee deelklachten. Ten eerste wordt geklaagd dat het hof de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte niet nietig heeft verklaard. Ten tweede klaagt het middel, zo neem ik aan, dat door de beslissing van het hof om de zaak bij verstek te behandelen het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden.
NJ2002/317 heeft de Hoge Raad niet alleen de voor de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken geldende regels uiteengezet, maar formuleert hij ook in het bijzonder met het oog op de verwezenlijking van het aanwezigheidsrecht van de verdachte enige aanvullende regels. Deze aanvullende regels houden onder meer in dat indien aan de stukken van het geding of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, het onderzoek ter terechtzitting in beginsel behoort te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Zo’n geval doet zich voor wanneer op de terechtzitting blijkt dat de verdachte uit anderen hoofde is gedetineerd. [8] Onder detentie uit anderen hoofde in deze zin, verstaat de Hoge Raad tevens detentie in het buitenland. [9]
NJ2007/339 (rov. 3.3) niet aanvaard: er is onvoldoende grond om een cassatieklacht over een verzuim in de betekening van de appeldagvaarding in een geval waarin een niet-gemachtigde raadsman die — hoewel in strijd met de wet — in de gelegenheid is geweest die klacht aan de feitenrechter voor te leggen doch die gelegenheid onbenut heeft gelaten, anders te behandelen dan een cassatieklacht over een betekeningsverzuim van een gemachtigde raadsman die heeft verzuimd die klacht aan de feitenrechter voor te leggen. Daarbij heeft de Hoge Raad wel de kanttekening geplaatst dat van een gelegenheid als bedoeld in de hierboven aangehaalde rechtsoverweging 3.41 uit het genoemde overzichtsarrest slechts sprake is “indien op grond van het proces-verbaal van de terechtzitting als vaststaand kan worden aangenomen dat de rechter de niet-gemachtigde raadsman heeft toegestaan meer aan te voeren dan waartoe hij gerechtigd was.” [11] Deze eis moet worden begrepen in het licht van de rechten die de niet-gemachtigde raadsman volgens de Hoge Raad toekomen. Een raadsman die niet op de voet van art. 279 Sv Pro is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, kan geen van de bij de wet aan de raadsman toegekende rechten en bevoegdheden uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging. [12] Dat de niet-gemachtigde raadsman de gelegenheid is geboden de verdediging te voeren, zal dus uit het proces-verbaal moeten blijken, voor zover het andere punten betreft dan deze, waartoe de niet-gemachtigde raadsman is gerechtigd. [13] Uit het voorgaande kan mijns inziens niet worden afgeleid dat uit het proces-verbaal ook steeds zou moeten blijken dat de niet-gemachtigde raadsman de gelegenheid is geboden de hem in het wettelijk systeem toekomende bevoegdheden uit te oefenen.
tweede middelklaagt dat het hof bij het opleggen van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
Strafmotivering