Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de schatting door het hof van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in het bijzonder ten aanzien van de in aanmerking te nemen variabele kosten, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
tweede middelbehelst de klacht dat de schatting van het aantal oogsten in de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in Almelo onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
NJ2003/96 m.nt. Mevis overwoog de Hoge Raad dat geen rechtsregel en met name niet art. 6 EVRM Pro zich ertegen verzet dat in zaken als de onderhavige, waarin de grondslag van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – hier het strafbare feit door middel van of waaruit dat voordeel is verkregen – in rechte is komen vast te staan, de bewijslast op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene. Uit de memorie van toelichting bij de huidige ontnemingswetgeving blijkt in dit verband het volgende:
derde middelbehelst de klacht dat het oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij aan de [b-straat 1] in Almelo pondspondsgewijs moet worden verdeeld tussen de betrokkene en [medeveroordeelde] niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.