Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de vervolgingsbeslissing door het openbaar ministerie niet tot stand is gekomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Voorts klaagt het middel over de motivering van de strafoplegging.
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van het als eerste ten laste gelegde feit niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
VERBETERING BEWIJSOVERWEGING
NADERE BEWIJSOVERWEGING
derde middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof, dat geen sprake is geweest van een manifestatie als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, onjuist, althans onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
medehet karakter van een betoging hebben, leidt niet tot een ander oordeel. In die toelichting wordt immers verduidelijkt dat de verboden uit art. 2.2 APV Amsterdam 2008 niet gelden voor samenkomsten ‘waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is’. Als de Wet openbare manifestaties op de desbetreffende samenkomst niet van toepassing is, gelden de verboden uit art. 2.2 APV Amsterdam 2008 wel.
vierde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van het tweede cumulatief ten laste gelegde feit, mede in het licht van de verweren dat niet kan worden vastgesteld waar in de groep de verdachte zich bevond en dat medeplegen niet kan worden bewezen, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.