Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Subonderdeel 1 onder abetoogt dat het hof in rov. 3.4 ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering tot voeging van [eiser] c.s. niet tijdig is ingediend. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat voeging mogelijk is zolang de zaak nog niet in staat van wijzen is, dat wil zeggen dat nog geen datum voor arrest is bepaald. [3] Blijkens rov. 3.4 was de zaak verwezen naar de rol van 8 september 2015 voor beraad, waarmee kennelijk is bedoeld het partijberaad zoals bedoeld in art. 2.22 van het pilotreglement voor civiele dagvaardingszaken bij het hof ’s-Hertogenbosch. [4] Volgens het middel heeft het hof met zijn beslissing miskend dat voeging nog mogelijk was tot op het moment dat de zaak in staat van wijzen was, wat op het moment dat de incidentele memorie werd genomen nog niet het geval was.