Conclusie
1. de stichting Stichting “Geborgde Dierenarts”,
(hierna: SGD),
Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde
advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes,
niet verschenen.
1.De feiten
Vrij verhandelbare diergeneesmiddelen: de vergunninghouder mag
UDA-middelen: uitsluitend de dierenarts mag deze middelen afgeven, de veehouder mag de middelen toedienen;
UDD-middelen:uitsluitend de dierenarts mag deze middelen toedienen, de veehouder mag de middelen niet in voorraad hebben) en
. URA-middelen:(‘
Uitsluitend op Recept Afleveren’) deze middelen mogen uitsluitend door een dierenarts voor dieren die bij hem of haar onder medische behandeling staan, of op recept van een dierenarts bij een apotheek en een vergunninghouder worden verstrekt.
het voorschrijven en/of leveren van URA- en/of UDA-middelen;
het opstellen van een bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan;
2.Procesverloop
af te nemenwaar zij willen: apotheek, vergunninghouder of dierenarts. Het kwaliteitssysteem van de geborgde rundveedierenarts is ingegeven door de volksgezondheid en de voedselveiligheid. Nergens wordt de eis gesteld dat URA-middelen alleen door een dierenarts mogen worden afgeleverd aan een veehouder. Het kwaliteitssysteem legt ook niet een dergelijke verplichting op aan de veehouder. Het kwaliteitssysteem geborgde dierenartsen is niet een plan van de KNMvD, maar afkomstig van de SGD, die is opgericht naar aanleiding van een in de markt voor vee- en zuivelindustrie bestaande wens om tot een kwaliteitssysteem te komen. De vertegenwoordigers van de KNMvD hebben ook geen doorslaggevende stem in het CvB van SGD. Van strijd met art. 6 Mw Pro is geen sprake.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
nietgaat om het door SGD in het leven geroepen kwaliteitssysteem van de geborgde dierenarts. In een tweetal zaken heeft de Autoriteit Consument & Markt geoordeeld dat dit kwaliteitssysteem niet in strijd is met de mededingingsregels. [18] Verder gaat het ook
nietover de (door de overheid bepaalde) regel dat antibiotica uitsluitend mag worden voorgeschreven en afgenomen van de één-op-één dierenarts, met wie de veehouder een overeenkomst heeft gesloten. Dat partijen in hun processtukken uitvoerig ingaan op de regels voor voorschrijven en afnemen van antibiotica, komt doordat SGD c.s. ingang trachten te doen vinden dat de ratio voor deze regels (het terugdringen van antibioticagebruik met het oog op het voorkomen van antibioticaresistentie) kan worden doorgetrokken naar URA-middelen. [19] Agib stelt daar dan tegenover dat de Nederlandse veeartsen in het verleden bepaald niet hun verantwoordelijkheid hebben genomen als het gaat om een verantwoord antibioticagebruik, dat sommige dierenartsen uit de verkoop van antibiotica meer dan de helft van hun inkomsten haalden en dat de belangrijkste reden voor het SGD-besluit om ook URA-middelen uitsluitend te kunnen laten voorschrijven en/of leveren door de één-op-één dierenarts gelegen is in het compenseren van teruglopende inkomsten vanwege het streven van de overheid om het antibioticagebruik in de veeteelt terug te dringen. [20] De inzet van de onderhavige zaak is of SGD als regel mag hanteren of opleggen (in protocollen, reglementen of modelovereenkomsten) dat óók URA-middelen uitsluitend kunnen worden voorgeschreven door de één-op-één dierenarts (de geborgde dierenarts) van een veehouder, hetgeen volgens Agib feitelijk tot gevolg heeft dat uitsluitend deze één-op-één dierenarts de middelen nog kan leveren.
eerste onderdeel(zie
paragraaf 2) komt met een rechts- en motiveringsklacht op tegen ’s hofs voorshandse oordeel in rov. 5.5, dat het bij het Reglement Geborgde Rundveedierenarts behorende Beoordelingsprotocol met bijbehorende modelovereenkomst kwalificeert als een besluit in de zin van art. 6 Mw Pro van (mede)
KNMvD. [21] De overweging luidt als volgt:
paragraaf 2.3) stelt aan de orde dat het hof heeft miskend dat van een besluit van een ondernemersvereniging als bedoeld in art. 6 Mw Pro alleen sprake kan zijn als het een besluit betreft van degene die het besluit formeel en/of feitelijk heeft uitgevaardigd (hier: de SGD). Dat een andere (rechts)persoon dan degene die het besluit heeft uitgevaardigd (hier: de KNMvD) een belangrijke rol heeft gespeeld in de totstandkoming van dat besluit, en/of die (rechts)persoon (SGD) heeft opgericht en/of voorstellen voor die (rechts)persoon (SGD) voorbereidt en/of participeert in het College van Belanghebbenden van die (rechts)persoon (SGD), brengt niet reeds met zich dat die andere persoon (hier: KNMvD) (mede) het besluit heeft uitgevaardigd, dan wel dat het besluit heeft te gelden als afkomstig van KNMvD, aldus SGD c.s.
Het is daarbij niet doorslaggevend in hoeverre de leden de adviezen daadwerkelijk hebben opgevolgd. Niet vereist is dat de leden daarbij werden gecontroleerd of daarbij zijn gedwongen met behulp van een sanctiemechanisme om de adviezen op te volgen. Evenmin is vereist dat de ondernemersvereniging bevoegd is krachtens haar statuten een dergelijk besluit te nemen. Indien er wel sprake is van opvolging, controle of dwang, dan wel de statutaire bevoegdheid tot het nemen van een dergelijk besluit, vormt dit volgens de (toenmalige) NMa evenwel een bijzonder duidelijke aanwijzing voor een dergelijke wil tot coördinatie.
paragrafen 2.4 en 2.5), omdat SGD c.s. hebben aangevoerd dat de KNMvD wat betreft de besluiten geen doorslaggevende invloed binnen (het CvB van) SGD heeft wat betreft de totstandkoming van de maatregelen als hier aan de orde, [33] faalt eveneens. Tegenover deze stellingen van SGD c.s. staat het betoog van Agib (door het hof weergegeven in rov. 5.4), dat uit het ‘5 Punten Plan’ van de KNMvD blijkt dat de KNMvD een geborgde positie voor de één-op-één dierenarts wilde verwezenlijken en de concurrentie uit de markt wilde halen en dat zij ter verwezenlijking van die doelen SGD heeft opgericht. Daarbij wijs ik ook op de gegrondbevinding door het hof van grief 6 die onder meer was gericht tegen de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter dat SGD “
op verzoek van marktpartijen” door de KNMvD is opgericht. Voorts heeft Agib gesteld dat de KNMvD binnen het CvB een centrale rol inneemt en een relatieve meerderheid aan zetels heeft. Het overleg met FrieslandCampina is, zo heeft Agib aangevoerd, geformaliseerd doordat FrieslandCampina een zetel heeft verkregen in het CvB. [34] Dat het hof deze omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken, kan worden afgeleid uit de samenvatting die het hof geeft van de stellingen van SGD c.s. in rov. 5.4. Verder ligt in ’s hofs verwijzing naar de uitlating van de secretaris van SGD ter zitting bij het hof, dat veehouders gewend waren om te shoppen maar dat SGD hiervan af wilde en daarom de eis van de één-op-één dierenarts heeft gesteld (rov. 5.5), het oordeel besloten dat de maatregelen feitelijk uit de koker van de KNMvD zijn gekomen en niet primair op initiatief van de zuivelsector zijn ingevoerd. Dat naar het oordeel van het hof sprake is van onderlinge afstemming met de zuivelsector, volgt uit ’s hofs overwegingen dat de effectiviteit van de bedoelde besluitvorming nog wordt vergroot door het feit dat het CvB niet alleen is samengesteld uit dierenartsen, maar ook uit leden van LTO Nederland en FrieslandCampina en dat sprake is van parallellie tussen de modelovereenkomsten van SGD c.s. en het praktijkreglement van FrieslandCampina. Met deze overwegingen heeft het hof de stelling van SGD c.s. dat de KNMvD (binnen het CvB) geen doorslaggevende invloed heeft, m.i. voldoende kenbaar verworpen.
tweede en derde onderdeel(zie de
paragrafen 3 en 4) zijn gericht tegen ’s hofs oordeel in rov. 5.14, dat de besluiten
de strekkinghebben de mededinging te beperken. De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
LTM [38] volgt uit het alternatieve karakter van deze voorwaarde, dat blijkt uit het voegwoord “of”, dat eerst moet worden gelet op de strekking van het besluit. [39]
Groupement des cartes bancairesuit 2014 heeft het HvJ nog eens zijn vaste rechtspraak uiteengezet over de gezichtspunten die in acht moeten worden genomen bij de beoordeling of een besluit naar zijn strekking de mededinging nadelig beïnvloedt: [41]
Groupement des cartes bancaires, dat ‘het essentiële juridische criterium’ om uit te maken of een besluit een mededingingsbeperkende strekking heeft, samenvalt met de vraag of dit besluit op zich in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht, is nadien enkele malen herhaald. [43]
Groupement des cartes bancaires verduidelijkt het HvJ bovendien dat niet te snel mag worden aangenomen dat een overeenkomst of besluit een mededingingsbeperkende strekking heeft: [44]
restrictiefworden uitgelegd en mag uitsluitend worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging ‘in die mate’ of ‘zodanig’ beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht. Op de betekenis van deze begrippen kom ik hierna, bij de bespreking van het merkbaarheidsvereiste, onder 3.6.8 e.v. nog terug. In ieder geval is níet genoeg dat bepaalde maatregelen of afspraken de mededinging
kunnenbeperken. [45]
Allianz Hungária [46] en
Beef Industry. [47] In deze arresten leek een zeer ruime opvatting over een strekkingsbeding besloten te liggen, waarmee het onderscheid tussen een beding dat naar zijn strekking dan wel naar zijn gevolgen mededingingsbeperkend was, onscherp werd. [48] Deze achtergrond van het arrest
Groupement des cartes bancaireskomt duidelijk naar voren in de conclusie van advocaat-generaal Wahl (mijn onderstreping):
Groupement des cartes bancairesblijkt dat het hof in rov. 5.10-5.12 van zijn arrest de juiste maatstaf heeft vooropgesteld voor de beoordeling of de besluiten
de strekkinghebben de mededinging te beperken, zoals in deze procedure door Agib is aangevoerd (vgl. rov. 5.13). Dat het hof de juiste maatstaf vooropgesteld heeft, wordt door SGD c.s. overigens ook onderkend. [49]
de strekkinghebben de mededinging op de relevante markt [50] te beperken, gebaseerd op de navolgende, door Agib aangevoerde, feiten en omstandigheden:
- uitlatingen van SGD (waar Agib onder meer ter zitting bij het hof op heeft gewezen) dat URA-middelen nog uitsluitend door een één op één dierenarts mogen worden
- de feitelijke onwilligheid bij dierenartsen om desgevraagd een recept uit te schrijven,
tweede onderdeelstelt (zie
paragraaf 3.3) dat ’s hofs conclusie in rov. 5.14, dat de maatregelen “
een groot potentieel hebben om de mededinging op de relevante markt te verstoren” een rechtens onjuist criterium is in het kader van de toetsing of een besluit een mededingingsbeperkende
strekkingheeft. Geklaagd wordt dat het hof in strijd met het recht heeft nagelaten te toetsen of de relevante besluiten reeds enkel naar hun aard (
strekking) kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging in het licht van de bewoordingen en doelstellingen ervan, alsmede in het licht van de economische en juridische context (waarbij het in het bijzonder gaat om concurrentievoorwaarden en marktstructuur van de betrokken markt). Het hof had, waar de besluiten niet reeds naar hun strekking mededingingsbeperkend zijn, een gevolgentoetsing moeten toepassen, aldus het onderdeel. Voorts wordt geklaagd (zie
paragraaf 3.4) dat de in rov. 5.14 genoemde omstandigheden (hiervoor weergegeven onder 3.2.9) die het hof tot de conclusie hebben gebracht dat de besluiten de strekking hebben de mededinging te beperken, eveneens geen blijk geven van een rechtens juiste toetsing van de strekking (aard) van de maatregelen (besluiten).
een groot potentieel hebben om de mededinging op de relevante markt te verstoren” inderdaad afwijkt van de door het HvJ EU in het arrest
Groupement des cartes bancairesgebruikte formuleringen en mogelijk ruimer is dan die formulering, [55] kan m.i. niet worden gezegd dat het hof daadwerkelijk een onjuiste toets heeft toegepast. Door te wijzen op de door Agib aangevoerde omstandigheden (met vermelding van de bijbehorende vindplaatsen in de gedingstukken) heeft hof voldoende ervan blijk gegeven dat het op grond van de
bewoordingen en doelstellingenvan de besluiten, alsook op grond van de
economische en juridische contexttot het oordeel is gekomen dat de besluiten van SGD c.s. “
evident schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging”. Bij dat oordeel heeft het hof, hoewel daartoe niet verplicht, ook de bedoelingen van SGD c.s. betrokken.
voorschrijfplichtvoor antibiotica door (uitsluitend) de één op één dierenarts tot ook URA-middelen (
bewoordingen en doelstellingen) moet worden bezien in (ii) de
economische en juridische context(waaronder de concurrentievoorwaarden en marktstructuur) dat bij de één-op-één dierenartsen feitelijke onwilligheid bestaat om op verzoek van veehouders een recept voor URA-middelen uit te schrijven, terwijl zij ten aanzien van het
voorschrijvenvan die recepten een monopoliepositie bekleden. Gelet op deze context heeft te gelden dat vergunninghouders (handelaren zoals Agib) geen URA-middelen meer aan de veehouders kunnen verkopen (leveren), waardoor zij verstoten (dreigen te) worden van de relevante markt (zoals ook na invoering van de receptplicht voor URA-middelen in 2008 gebeurde met bedrijven (vergunninghouders) die geen eigen dierenarts in dienst konden nemen/namen). Aldus ligt in ’s hofs oordeel besloten dat in het licht van deze economische en juridische context het besluit van SGD c.s.
de factoook ten aanzien van
de leveringvan URA-middelen een monopoliepositie van de één-op-één dierenartsen realiseert. Daarbij heeft het hof tevens de omstandigheid betrokken dat (iii) uit het 5 punten plan van KNMvD blijkt dat SGD c.s. een geborgde positie voor de één op één dierenartsen wilden verwezenlijken en de concurrentie op geneesmiddelen uit de markt wilden halen, (
doelstellingen en bedoelingen van partijen) en (iv) dat SGD c.s. zich blijkens (eerdere) uitlatingen aanvankelijk op het (onjuiste) standpunt stelde dat URA-middelen nog uitsluitend door de één op één dierenarts mochten worden
afgeleverden ook de tekst van de betreffende bepaling van het Beoordelingsprotocol op dit punt niet eenduidig is (
bewoordingen en doelstellingen). Uit deze omstandigheden tezamen volgt naar het oordeel van het hof dat het besluit evident schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging en er daadwerkelijk toe strekt dat de mededinging op de Nederlandse markt voor leveranciers van URA-middelen merkbaar wordt verstoord. Door aldus te oordelen heeft het hof m.i. geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
paragraaf 3.5) dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is, omdat de genoemde omstandigheden (afzonderlijk en/of tezamen beschouwd) niet redengevend zijn voor het oordeel dat de maatregelen naar hun aard (strekking) geacht kunnen worden schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging in het licht van de bewoordingen en doelstellingen ervan, alsmede in het licht van de economische en juridische context. Dan wel dat ’s hofs oordeel onvoldoende is gemotiveerd, omdat de genoemde omstandigheden door SGD c.s. gemotiveerd zijn betwist, dan wel SGD c.s. daartoe andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die die omstandigheden teniet doen op welke stellingen het hof niet, althans niet voldoende kenbaar is ingegaan. Deze klachten zijn per door het hof genoemde omstandigheid nader uitgewerkt in de
paragrafen 3.6-3.9van de cassatiedagvaarding en zullen hierna zoveel mogelijk gezamenlijk worden besproken. Daarbij betrek ik ook de klachten in het
derde onderdeel(zie
paragraaf 4).
voorschrijvenvan URA-middelen, maar niet het
afleveren(verkopen) enkel door een één op één dierenarts (“geborgde dierenarts”) mag worden verricht [56] en ii) de stelling dat gelet op de markt, waar het voorschrijven en leveren van URA-middelen gescheiden kan plaatsen, het besluit niet geschikt is de mededinging dermate te beïnvloeden dat het geacht kan worden een mededingingsbeperkende strekking te hebben [57] (zie
de paragrafen 3.7.2, 3.8.2-3.8.4, 4.1 en 4.1.1), gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft in rov. 5.14 immers juist beoordeeld of het besluit van SGD c.s. dat de URA-middelen alleen nog op recept van de één-op-één dierenarts mogen worden
voorgeschrevende strekking heeft de mededinging te beperken (en daarbij onderkend dat het besluit naar de letter niet ziet op de
leveringdaarvan). Dit volgt onder meer uit ’s hofs overweging in rov. 5.14 dat sprake is van een uitbreiding van de wettelijke
voorschrijfplicht(en dus niet de leveringsplicht) voor antibiotica door de één-op-één dierenarts tot ook URA-middelen (curs. A-G). Echter, ook uit andere rechtsoverwegingen blijkt dat het hof de stelling van SGD c.s. dat alleen het
voorschrijvenvan URA-middelen enkel door de één-op-één dierenarts mag worden verricht voldoende kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Ik verwijs achtereenvolgens naar rov. 4.9 (waarin het hof een samenvatting geeft van de stellingen van partijen), rov. 5.5 (slot), rov. 5.7 (waarin het hof overweegt dat dient te worden onderzocht of de maatregel van SGD c.s., te weten dat URA-middelen alleen door een één op één dierenarts mogen worden
uitgeschreven(voorgeschreven), de strekking heeft of tot gevolg heeft dat de mededinging merkbaar wordt beperkt) en rov. 5.19. Ook uit het dictum volgt dat het hof de hiervoor genoemde stelling van SGD c.s. in zijn beoordeling heeft betrokken. Waar Agib onder meer had gevorderd dat SGD c.s. wordt verboden een eis te hanteren of een regel toe te passen inhoudende dat URA-middelen alleen kunnen worden
verstrekt en/of voorgeschrevendoor een ‘geborgde dierenarts’ en/of door een dierenarts met wie een bilateraal (één-op-één) contract is afgesloten (vgl. rov. 4.10), verbiedt het hof SGD c.s. in het dictum (slechts) een eis te hanteren of een regel toe te passen inhoudende dat URA-middelen alleen kunnen worden
voorgeschrevendoor een ‘geborgde dierenarts’ en/of door een dierenarts met wie een bilateraal (één-op-één) contract is afgesloten (mijn cursiveringen).
afgeleverd, doet hier m.i. niet aan af. Met deze overweging heeft het hof kennelijk (onder meer) het oog gehad op de navolgende stelling van Agib in de pleitnota in hoger beroep punt 40:
en/ofleveren van URA-middelen gaat, terwijl Agib stelt dat door SGD althans de suggestie wordt gewekt dat het om: voorschrijven
enleveren gaat [58] , suggereert dat het hof hier het oog heeft gehad op de ‘suggestieve’ bewoordingen in het Beoordelingsprotocol en de modelovereenkomst, en de stelling van Agib dat SGD c.s. zich in eerste instantie ook zelf op het onjuiste standpunt stelde dat de URA-middelen nog uitsluitend door een één-op-één dierenarts mogen worden
afgeleverd. Ik lees in de genoemde overweging dan ook niet – zeker wanneer deze wordt bezien in het licht van ’s hofs overige overwegingen – dat het hof ervan is uitgegaan dat het besluit (naar de letter) inhoudt dat URA-middelen nog uitsluitend door de één-op-één dierenarts (en niet door vergunninghouders) mogen worden geleverd.
uit te schrijvenen dat zij op dit terrein een monopoliepositie hebben, heeft het hof ook de stelling van SGD c.s. dat, gelet op de markt waar het
voorschrijvenen
leverengescheiden kan plaatsvinden, het besluit niet geschikt is om de mededinging in die mate te beïnvloeden dat het geacht kan worden een mededingingsbeperkende strekking te hebben, voldoende gemotiveerd verworpen. Uit de genoemde marktomstandigheden (de economische en juridische context van het besluit) leidt het hof immers af dat de besluiten, die naar de letter inderdaad inhouden dat de recepten voor URA-middelen alleen nog door de één-op-één dierenarts mogen worden voorgeschreven,
de factode levering van URA-middelen door handelaren als Agib onmogelijk maakt en daarmee naar hun aard een mededingingsbeperkende strekking hebben. Dit oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk. Zie ook onder 3.4.12 hiervoor.
de zuivelindustrieis die de kwaliteitseisen in het leven heeft geroepen en die eist dat URA-middelen door een geborgde dierenarts aan de veehouder moeten worden voorgeschreven, en dat SGD dit systeem enkel uitvoert [59] (zie de
paragrafen 3.6.2, 3.8.3-3.8.4, 4.1 en 4.1.2) geldt dat ook deze klacht dient te falen. Waar de voorzieningenrechter nog meeging in dit betoog van SGD c.s. en in rov. 4.5 overwoog dat “
vanuit de zuivelindustrie, in het bijzonder marktleider FrieslandCampina, aan de melkveehouders de eis wordt gesteld dat slechts de één op één dierenarts een recept voor de URA-middelen mag uitschrijven”, heeft het hof de tegen dit oordeel gerichte grieven 1 en 2 van Agib (zie de memorie van grieven punten 49-52; vgl. ook rov. 5.4) gegrond bevonden en, kort gezegd, geoordeeld dat de besluiten richting de dierenartsen (primair) uit de koker van SGD c.s. komen in onderlinge afstemming met de zuivelsector (zie rov. 5.5). Dit blijkt tevens uit de gegrondbevinding van grief 6. Zie ook onder 3.3.7-3.3.10 hiervoor.
paragraaf 3.9.2). Het (impliciete) oordeel dat deze stellingname van SGD c.s., gelet op het betoog van Agib [61] en in het licht van de overige in rov. 5.14 genoemde omstandigheden, onvoldoende aannemelijk is, is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dat het hof dit oordeel is toegedaan, kan voorts worden afgeleid uit rov. 5.15, waarin het (expliciet) overweegt dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de besluiten van SGD c.s. ertoe strekken de kwaliteit van de volksgezondheid te waarborgen.
vierde oordeel(zie
paragraaf 5) is gericht tegen ’s hofs overweging dat in dit kort geding tevens voorshands aannemelijk is geworden dat Agib door de maatregelen (besluiten) van SGD c.s. haar marktaandeel is kwijtgeraakt. [62] Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de relevante stelling van SGD c.s. dat de omzet van Agib gedurende een aantal jaren na de besluiten is gestegen. [63]
strekkendat de mededinging op de relevante markt
merkbaarwordt verstoord, ontbeert het SGD c.s. aan voldoende belang bij de klacht.
vijfde onderdeel(zie
paragraaf 6) is gericht tegen ’s hofs oordeel over de ‘merkbaarheid’ van de beperking van de mededinging. Het hof oordeelt in rov. 5.14:
de vier omstandigheden als genoemd in rov. 5.14 – A-G) leiden er naar het voorlopig oordeel van het hof toe dat de voormelde maatregelen van KNMvD en SGD die evident schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging er daadwerkelijk toe strekken dat de mededinging op de Nederlandse markt merkbaar wordt verstoord.”
Whizz Croissanterie: [65]
Batavusformuleerde de Hoge Raad dit als volgt: [67]
Expediagewezen. [68] Hierin heeft het HvJ (naar aanleiding van een prejudiciële vraag over de parallelle toepassing van art. 101 VWEU Pro naast het nationale mededingingsrecht) herhaald dat, zoals sinds het arrest
Völk/Vervaeckewerd aangenomen, [69] voor de toepasselijkheid van art. 101, lid 1, VWEU een mededingingsbeperking als zodanig niet volstaat, maar dat van een merkbare mededingingsbeperking sprake moet zijn (mijn onderstreping):
Expedialijkt te volgen dat als sprake is van een strekkingsbeperking, ‘naar haar aard’ reeds is voldaan aan het merkbaarheidsvereiste. In ieder geval is uit punt 37 níet af te leiden dat de merkbaarheid (steeds) als een afzonderlijk constitutief vereiste geldt voor een verboden overeenkomst, besluit of gedraging. Mok schreef in zijn noot onder het arrest dan ook het volgende:
(Vreugdenhil/Floraholland) heeft de HR overwogen ‘[...] het merkbaarheidsvereiste is in beginsel te beschouwen als een positief vereiste.’ De kwalificatie vereiste’ blijkt nu in de opvatting van het HvJ te sterk. Ik zou zeggen: een (negatieve) mogelijkheid die wordt aanbevolen voor overeenkomsten enz. die slechts beperking enz. van de mededinging ten gevolge hebben. Voor regelingen die strekken tot mededingingsbeperking is toepassing van de factor merkbaarheid slechts een mogelijkheid tout court, waarop al naar gelang de omstandigheden al dan niet een beroep kan worden gedaan.
Expedia-arrest is in de literatuur niet algemeen gedeeld. De meningen over de implicaties van het arrest voor het nationale mededingingsrecht waren namelijk verdeeld. [70] Hengevelt en Veenbrink hebben drie visies op het Expedia-arrest onderscheiden. [71] Volgens de eerste visie wordt aangenomen dat het HvJ met de betreffende rechtsoverweging heeft willen aangeven dat strekkingsbeperkingen per definitie merkbaar zijn, waardoor het
Völk/Vervaecke-merkbaarheidsvereiste ten aanzien van de doel- of strekkingsbeperkingen komt te vervallen. [72] Uit de ontwerpmededeling voor een aanpassing van de
de-minimis-bekendmaking van 11 juli 2013 blijkt dat de Europese Commissie het arrest zo interpreteert. [73] Volgens de tweede visie zou het HvJ met
Expediauitsluitend de reikwijdte van het
Völk/Vervaecke-merkbaarheidsvereiste bij doel- of strekkingsbeperkingen hebben willen verduidelijken: in het geval van een doel- of strekkingsbeperking dient de merkbaarheidstoets nog steeds te worden uitgevoerd, maar dan hoeft er net als bij de kwalificatietoets geen effectenbeoordeling plaats te vinden; een contextanalyse volstaat. [74] De merkbaarheidstoets zou daarmee onderdeel zijn geworden van de kwalificatietoets. [75] In de derde visie ziet het
Expedia-arrest specifiek op interstatelijke merkbaarheid. [76] Aangenomen wordt dat in het geval van interstatelijke merkbaarheid automatisch is voldaan aan het
Völk/Vervaecke-merkbaarheidsvereiste.
Texel [77] en
BP/Benschop. [78] In de zaak
Texelwerd in cassatie onder meer met een rechts- en motiveringsklacht opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het in de rede ligt dat het aan de orde zijnde beding, dat naar zijn strekking mededingingsbeperkend was, een merkbare beperking van de mededinging tot gevolg had. A-G Keus acht deze klachten gegrond, omdat – zo vat ik samen – geen serieus onderzoek naar de merkbaarheid was uitgevoerd (conclusie onder 2.32). Keus gaat hierbij kennelijk nog steeds uit van een constitutief vereiste van merkbaarheid. De Hoge Raad volgt hem echter niet (rov. 3.5.3):
Expedia-arrest (en hetgeen daarover in de literatuur is geschreven), is niet heel duidelijk. [79] Denkbaar is dat het hof in de visie van de Hoge Raad wél (in voldoende mate) de merkbaarheid had onderzocht, maar het kan ook zijn dat bedoeld is dat de merkbaarheidstoets reeds deel uitmaakte van het kwalificatieonderzoek (is sprake van een strekkingsbeding?).
BP/Benschopgeldt min of meer hetzelfde. [80] Ook daar werd in cassatie geklaagd dat het hof niet duidelijk had gemaakt op grond waarvan sprake zou zijn van merkbare beperking van het beding dat naar zijn strekking mededingingsbeperkend was. Ook nu acht A-G Keus de klacht gegrond (conclusie onder 2.6 en 2.13) en oordeelt de Hoge Raad dat de klachten moeten worden verworpen (rov. 3.5.3 en 3.5.4). Ook hier geven de betreffende overwegingen geen duidelijk richtsnoer over de betekenis van het merkbaarheidsvereiste ‘
post-Expedia’. [81]
Expedia-arrest gegeven invulling van het merkbaarheidsvereiste heeft het HvJ in 2014 gegeven in het hiervoor onder 3.4.4-3.4.6 al besproken arrest
Groupement des cartes bancaires. Voor wat betreft het merkbaarheidsvereiste is met name relevant punt 52 uit het arrest (mijn onderstreping):
nietblijkt dat een overeenkomst, besluit of gedraging de mededinging (naar strekking) in voldoende mate de mededinging verstoort, moeten de gevolgen worden onderzocht en moet aan het merkbaarheidsvereiste zijn voldaan.
Expedia-arrest, af te leiden dat als
welblijkt dat een overeenkomst, besluit of gedraging de mededinging (naar strekking) in voldoende mate de mededinging verstoort,
nieteen afzonderlijk onderzoek naar het merkbaarheidsvereiste nodig is. Met andere woorden, de merkbaarheidstoets maakt deel uit van (of: valt samen met [82] ) de vraag of de overeenkomst of het besluit naar zijn strekking mededingingsbeperkend is. Als dat laatste ‘in voldoende mate’ het geval is, is tevens voldaan aan het merkbaarheidsvereiste. Alleen wanneer dit níet (in voldoende mate) het geval is, moeten de gevolgen worden onderzocht en dient bovendien te blijken dat voldaan is aan het merkbaarheidsvereiste. Dit brengt mee dat de interpretatie van het
Expedia-arrest die hiervoor (onder 3.6.6) is beschreven als de tweede visie op het arrest: de merkbaarheidstoets is onderdeel van de kwalificatietoets, de juiste is.
in voldoende mate’ worden verstoord; het begrip ‘strekkingsbeding’ moet
restrictiefworden uitgelegd en mag uitsluitend worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging ‘
in die mate’ of ‘
zodanig’ beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht. Wanneer eenmaal wordt aangenomen dat sprake is van een beding dat naar zijn strekking mededingingsbeperkend is, ligt daarin dus besloten dat dit ‘in voldoende mate’ het geval is. Dat impliceert dat aan het gegeven dat niet aan het merkbaarheidsvereiste behoeft te worden getoetst wanneer de mededingingsbeperkende strekking ‘in voldoende mate’ aanwezig is, geen afzonderlijke betekenis toekomt.
Groupement des cartes bancairesuitgezette lijn overgenomen, in dezelfde, negatief geformuleerde (en daarmee niet heel eenvoudig leesbare) bewoordingen. [83] Zo is in een uitspraak van januari 2017 het volgende overwogen (mijn onderstreping): [84]
Groupement des cartes bancaires, zoals ook het CBb heeft gedaan. Dit komt de rechtseenheid ten goede en voorkomt dat sprake is van uiteenlopende opvattingen in de feitenrechtspraak. Volgens verschillende analyses is die rechtspraak namelijk niet erg consistent en geeft deze een wisselend beeld ten aanzien van de vraag of afzonderlijk moet worden getoetst aan het merkbaarheidsvereiste. [85] Daarnaast – maar samenhangend met de vraag naar de merkbaarheid – zou in de feitenrechtspraak de lat voor een strekkingsbeperking niet altijd hoog genoeg worden gelegd. [86] De scheidslijn tussen strekkingsbeperkingen en gevolgenbeperkingen zou daardoor niet meer scherp genoeg worden getrokken. Deze onduidelijkheid zal in de hand gewerkt zijn door rechtspraak van het HvJ (met name het arrest
Allianz Hungária), waarin het onderscheid vertroebelde, zoals hiervoor onder 3.4.7 is besproken. Met het arrest
Groupement des cartes bancairesis de scheidslijn echter weer scherper getrokken en is duidelijk gemaakt, zoals hiervoor is besproken, dat het begrip ‘mededingingsbeperkende strekking’ restrictief moet worden opgevat. Bij het verschaffen van duidelijkheid over het merkbaarheidsvereiste zou ook dit aspect moeten worden meegenomen.
in voldoende mate’een mededingingsbeperkende strekking hebben. [87] Men zou kunnen denken dat ‘in voldoende mate’ niet een hele zware toets is. Maar uit de bijna venijnige tikken die het HvJ in
Groupement des cartes bancairesuitdeelt aan het Gerecht omdat dit te snel heeft aangenomen dat sprake is van een strekkingsbeperking, leid ik af dat niet te gemakkelijk moet worden gedacht over dit ‘in voldoende mate’. Het lijkt eerder te gaan om (in mijn woorden) het ‘
duidelijk’ een mededingingsbeperkende strekking moeten hebben, of een ‘
redelijkerwijs moeilijk anders te begrijpen’ mededingingsbeperkende strekking hebben. Of, zoals ik las in een commentaar naar aanleiding van het arrest
Groupement des cartes bancaires: “
If it ain’t obvious it ain’t object”. [88] ‘Obvious’ [89] is méér dan ons Nederlandse, wat futloos klinkende, ‘in voldoende mate’. ‘In voldoende mate’ is in onze Nederlandse juridische vocabulaire ook niet een erg onderscheidend criterium.
Expediaof
Groupement des cartes bancaires. Ik zou echter menen dat het in kwalitatieve zin moet worden opgevat, omdat bij een kwantitatieve interpretatie toch weer een gevolgenanalyse zou moeten worden gemaakt. Zeker in het licht van de conclusie van a-g Wahl ga ik er vanuit dat het ‘in voldoende mate’ moeten hebben van een mededingingsbeperkende strekking met name beoogt slechts die bedingen als een strekkingsbeperking te kwalificeren, wanneer deze dat
intrinsiek, dus ‘
naar hun aard’ zijn. De woorden ‘
naar hun aard’ worden ook gebezigd in punt 37 van
Expediaen in punt 50 van
Groupement des cartes bancaires. [90] Als richtsnoer zou daarom kunnen worden geformuleerd dat sprake is van een beding dat naar zijn strekking mededingingsbeperkend is, wanneer uit
een analyse blijkt dat de overeenkomst, het besluit of de gedraging naar zijn aard de mededinging in voldoende mate verstoort. [91] Indien dat het geval is, ligt daarin tevens besloten dat voldaan is aan het merkbaarheidsvereiste.
paragraaf 6.1) klaagt dat rov. 5.14 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd, doordat het hof daarin zijn oordeel dat sprake is van een merkbare verstoring op de markt van leveranciers van URA-middelen aan veehouders in Nederland, uitsluitend baseert op de in rov. 5.14 genoemde omstandigheden, te weten:
paragraaf 6.2), faalt. Uit ’s hofs oordeel in rov. 5.5 dat niet de zuivelindustrie, maar SGD c.s. de initiatiefnemers van de maatregelen waren, volgt immers dat het hof dit betoog heeft verworpen.
zesde onderdeel(zie
paragraaf 7) is gericht tegen ’s hofs oordeel in rov. 5.15 dat het beroep van SGD c.s. op een objectieve rechtvaardiging van het besluit moet worden verworpen. ’s Hofs oordeel luidt voor zover relevant:
inherentis aan de nagestreefde doelstelling. [96] Oftewel in de woorden van Van de Gronden: de beperking dient een
conditio sine qua nonte zijn voor de doelstelling. [97] De beperking mag bovendien niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstelling. [98]
inherentis aan de nagestreefde doelstelling en of deze
proportioneelis, komt het hof dus niet meer toe.
antibioticaresistentieen een verantwoord
antibioticagebruik, en hebben een nadere invulling gekregen door de verplichte één-op-één relatie tussen de dierenarts en de veehouder. In de memorie van antwoord punt 53 – waarnaar het onderdeel in het bijzonder verwijst – stellen SGD c.s. dat de gevolgen van het bovenmatig gebruik van URA-middelen dezelfde zijn als bij het gebruik van antibiotica, te weten de ontwikkeling van resistentie tegen antiparasitica, zoals ontwormingsmiddelen, en de residuproblematiek van wormmiddelen in melk. [100] In dat kader wijzen zij op verschillende onderzoeken die zouden aantonen dat er sprake is van een toenemende resistentie tegen wormmiddelen in de veehouderij. [101] Volgens SGD c.s. heeft het CvB het om die reden noodzakelijk geacht dat álle diergeneesmiddelen, dus ook het voorschrijven van URA-middelen, onderdeel zouden worden van het systeem van de geborgde dierenarts, hetgeen zou worden onderschreven door de brief van ZuivelNL van 20 mei 2015. [102] Deze stelling is herhaald in de pleitnota in hoger beroep (onder punt 21), waarbij nog wordt gewezen op een brief van FrieslandCampina van 28 mei 2015. [103]
zevende onderdeel(zie
paragraaf 8) bevat diverse klachten gericht tegen het dictum en de slotsom in rov. 5.19.
paragraaf 8.1 en 8.2) zien in de eerste plaats op de navolgende passage in het dictum:
reglementen, in modelovereenkomsten of
anderszinseen eis te hanteren of een regel toe te passen inhoudende dat URA-middelen alleen kunnen worden voorgeschreven door een ‘geborgde dierenarts’ en/of door een dierenarts met wie een bilateraal (één op één) contract is afgesloten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-, ieder voor zich, voor iedere keer dat het hiervoor omschreven verboden wordt overtreden;” (cursiveringen A-G).
de paragrafen 8.1.2 en 8.2.2) dat het hof in strijd met het recht, althans onbegrijpelijk, het verbod heeft uitgestrekt tot “
reglementen” en “
anderszins”, zonder dat uit de beoordeling door het hof (zie rov. 5.5 en 5.14) blijkt van andere “besluiten” in de zin van art. 6 lid 1 Mw Pro dan het Beoordelingsprotocol en/of het daarop gebaseerde Modelreglement (bedoeld zal zijn: de modelovereenkomst). Gesteld wordt dat voor toewijzing van een verbod betreffende “reglementen” en/of “anderszins” in het arrest geen kenbare grondslag is te vinden in de beoordeling van de vorderingen en dat dit temeer klemt nu het verbod is toegewezen op straffe van verbeurte van de dwangsom.
paragraaf 8.2.3) dat ’s hofs oordeel onvoldoende is gemotiveerd, omdat SGD c.s. heeft gesteld dat een onbepaald verbod als door Agib gevorderd en thans door het hof toegewezen (“anderszins”) niet kan worden toegewezen (mede met het oog op executiegeschillen). [105] Het hof zou op die stellingen van SGD c.s. niet (kenbaar) hebben gerespondeerd.
Lexington- en
Klokkenspel-arresten [109] slechts die handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, overtredingen van het rechterlijk verbod, opleveren. De rechtsoverwegingen in het vonnis zijn daarbij bepalend: daaruit zal moeten blijken op welke gronden het verbod is gegeven en die gronden zullen de veroordeelde partij houvast moeten bieden bij de vraag van welke toekomstige gedragingen zij zich moet onthouden teneinde te voorkomen dat zij het verbod overtreedt en dwangsommen verbeurt. [110]
paragraaf 8.3.3) dat ’s hofs oordeel in rov. 5.19 (slot) dat “
de vordering onder (v) wordt toegewezen als hierna weergegeven. In zoverre slaagt grief 4” in strijd met het recht is en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, omdat voor de toewijzing in het dictum van het in
paragraaf 8.3.1van de cassatiedagvaarding weergegeven bevel geen enkele (kenbare) redengeving wordt gegeven. Gesteld wordt (zie
paragraaf 8.3.4) dat ’s hofs oordeel dat aan de dierenartsen een brief als vermeld in de genoemde paragraaf moet worden gestuurd onbegrijpelijk is in het licht van rov. 5.19, waar het hof heeft geoordeeld dat algemeen kenbaar is, althans bekend kan zijn, dat URA-middelen ook bij een handelaar (als Agib) kunnen worden gekocht (en niet enkel bij een dierenarts). Het hof zou met de toewijzing ook in strijd met het recht buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden, althans is zijn uitleg van grief 4 van Agib (zie de memorie van grieven punten 58-61) onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, omdat Agib met die grief niet heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft nagelaten een bevel te geven om de dierenartsen een brief met genoemde inhoud te sturen (zie
paragraaf 8.3.5).
tot het treffen van maatregelen die de voorzieningenrechter in goede justitie meent te moeten treffen.” (Vgl. ook rov. 4.10 onder (v)). Daarbij heeft Agib tevens een voorbeeld van een mogelijke veroordeling opgenomen. Deze vordering is in hoger beroep gehandhaafd. [111] Blijkens het dictum is het hof van het door Agib opgenomen voorbeeld afgeweken en heeft het – na toewijzing van de vordering dat SGD c.s. wordt verboden een eis hanteren of een regel toe te passen inhoudende dat URA-middelen alleen kunnen worden voorgeschreven door een ‘geborgde dierenarts’ en/of door een één op één dierenarts met wie een bilateraal (één op één) contract is afgesloten – in goede justitie gemeend tevens de navolgende maatregel te moeten treffen:
voorgeschrevendoor een ‘geborgde dierenarts’ en/of door een dierenarts met wie een bilateraal (één-op-één) contract is afgesloten. Onbegrijpelijk is die uitleg niet. Evenmin is onbegrijpelijk dat het hof het toegewezen verbod slechts effectief heeft geacht indien de aangesloten dierenartsen hiervan daadwerkelijk per brief op de hoogte worden gesteld en zij niet door middel van drempelverhogende maatregelen, zoals het vragen van een hoger dan normaal tarief voor het uitschrijven van een recept, alsnog (trachten te) bewerkstelligen dat de URA-middelen uitsluitend via hen worden afgenomen.