Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat er sprake was van een redelijk vermoeden dat zich in het pand een hennepkwekerij bevond en dat er rechtmatig is binnengetreden.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat er sprake is van medeplegen van het opzettelijk telen en aanwezig hebben van hennepplanten, terwijl de raadsman van de verdachte gemotiveerd heeft gesteld dat er hooguit sprake is van medeplichtigheid. Het
derde middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van feit 3, gelet op het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman, onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat er sprake is van medeplegen van diefstal van elektriciteit. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
(i) De op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
Voorts heeft de raadsman ten aanzien van feit 3 het volgende aangevoerd. De stukken van het strafdossier bevatten geen enkel bewijsmiddel betreffende een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte bij de diefstal van stroom. De omstandigheid dat voor de expert van Liander N.V. in de meterkast een illegale aansluiting te zien was, betekent niet dat een leek als de verdachte dat ook moet hebben gezien op het moment dat hij de stoppen heeft vervangen. Een eerdere veroordeling voor het kweken van hennep maakt van de verdachte nog geen expert. Ook de foto’s van de meterkast in het dossier geven geen blijk van een evident illegale aansluiting van de elektriciteit, aldus de raadsman. [14]