Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 14.399.705
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
Vennootschapsbelasting, Kluwer: Deventer 2000 (tweede geheel herziene druk), onderdeel 13.13, p. 351, is het Hof van oordeel dat de meest voor de hand liggende waarderingsmaatstaf voor deelnemingen de kostprijs is. Niet in geschil is dat belanghebbende als moedermaatschappij van de fiscale eenheid, sedert 2004, en daarvoor [M] B.V., de deelneming [R] steeds op de historische kostprijs van € 104.722.486 hebben gewaardeerd.
deelnemingcentraal. Het Hof meent uit de ter zake van de waardering van deelnemingen gewezen jurisprudentie een lijn te kunnen destilleren die enigszins afwijkt van de jurisprudentie die is gewezen ter zake van de waardering van andere bedrijfsmiddelen dan deelnemingen. In dit verband verwijst het Hof naar onder andere Hoge Raad 14 juni 1978, nr. 18.405, ECLI:NL:HR:1978:AX2850 en Hoge Raad 22 januari 1997, nr. 31.748, ECLI:NL:HR:1997:AA3196, alwaar de Hoge Raad, in strijd met het voorzichtigheidsbeginsel heeft toegestaan dat waardering boven de kostprijs is toegestaan. Het Hof begrijpt de jurisprudentie die is gewezen ter zake van de waardering van deelnemingen aldus dat een belastingplichtige bij de waardering van een vrijgestelde deelneming meer vrijheid toekomt, in het bijzonder daar waar het voorzichtigheidsbeginsel als onderdeel van goed koopmansgebruik aan de orde is, dan bij de waardering van niet-vrijgestelde activa. Dit komt het Hof overigens logisch voor, omdat de voorzichtigheidseis, die zich bijvoorbeeld verzet tegen het nemen van ongerealiseerde winst, en voorziet in de mogelijkheid tot het nemen van ongerealiseerde verliezen bij vrijgestelde activa (deelnemingen) en winsten (deelnemingsvrijstelling) niet aan de orde is.
fiscaaleigen vermogen van [M] B.V., in de zin van artikel 13d, lid 8, Wet VPB 1969 bepaald dient te worden zoals is weergegeven op de
Fiscale balans [M] B.V. per 20 maart 2009(zie 2.7). Ingevolge artikel 13d, lid 8, Wet VPB 1969 wordt het opgeofferde bedrag (vóór toepassing van artikel 13d, lid 4, Wet VPB 1969) gesteld op het ‘eigen vermogen van de dochtermaatschappij’, zijnde € 119.122.194.
De deelnemingsvrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, Deventer: 2008, (achtste geheel herziene druk) wijst [T] in een voorbeeld op p. 90 reeds op de in deze zaak spelende problematiek.
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond, en
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.