Conclusie
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
:
:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van poging tot doodslag, waarbij het slachtoffer met messen in de rug en borst werd gestoken. De verdediging stelde beroep in cassatie in met twee middelen: een vormverzuim door het niet uitvoeren van een meervoudige fotobewijsconfrontatie ((F)OSLO) en een betwisting van het voorwaardelijk opzet op de dood.
Het eerste middel betrof de weigering van het Openbaar Ministerie om de (F)OSLO-confrontatie uit te voeren, wat volgens de verdediging een onherstelbaar vormverzuim opleverde dat tot niet-ontvankelijkheid van het OM had moeten leiden. De Hoge Raad overwoog dat de confrontatie niet mogelijk was vanwege praktische bezwaren en dat dit geen weigering was, zodat geen vormverzuim bestond. Tevens was het bewijs tegen verdachte voldoende sterk om de veroordeling te dragen.
Het tweede middel richtte zich op de bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op de dood. De verdediging stelde dat de verdachte in paniek handelde en geen bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel had. De Hoge Raad bevestigde dat uit de aard van de gedragingen en de omstandigheden, waaronder het steken met messen in vitale delen van het lichaam tijdens een worsteling, het hof terecht heeft geoordeeld dat sprake was van voorwaardelijk opzet. Het verweer werd verworpen en het cassatieberoep afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot drie jaar gevangenisstraf wegens medeplegen poging tot doodslag.