Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
tax planningstructuur. De belanghebbende heeft geleend bij een gelieerde groepsmaatschappij ( [X-LB] ) om daarmee deelnemingen te financieren die vrijgestelde voordelen genereren (
Bosal-gat). Anders dan in de tien eerdere zaken, is de aldus gecreëerde
tax absorption capacity(de rente) niet afgezet tegen realisatiewinsten van gevoegde aangekochte vennootschappen van derden, maar tegen obligatierente ontvangen op een met dat doel juridisch bij de belanghebbende geparkeerde obligatieportefeuilles van [F] .
profit participation loans(PPL’s). [F] beheerde de portefeuilles en bepaalde het beleggingsbeleid. Doordat [D] en [L] gevoegd waren met de belanghebbende als moeder, zouden de voordelen uit de obligatieportefeuilles fiscaal in aanmerking worden genomen bij de belanghebbende en daar weggesaldeerd worden door de renteaftrek. Vermogensrisico’s werden afgedekt met put-optiecontracten met [F] waardoor waardeveranderingen alleen [F] aangingen aangingen en [F] de juridische eigendom kon terugverwerven wanneer gewenst. De PPL’s zouden fiscaalrechtelijk eigen vermogen vormen zodat de uitkeringen op de PPL’s aan [F] (i.e. de doorbetaling van de via [D] en [L] stromende ontvangen obligatierente) onder de deelnemingsvrijstelling zouden vallen. Het verschil tussen de ontvangen obligatierente en de daaruit betaalde winstdeling op de PPL’s bedroeg 12,24% van de ontvangen obligatierente, i.e. ongeveer de helft van de belastingbesparing doordat de voorheen bij [F] belaste obligatierente na deze transacties niet meer belast kon worden door wegvalling tegen de door de belanghebbende georganiseerde renteaftrek.
beneficial ownershipvan de voordelen uit de obligatieportefeuilles en voor de op de PPL’s betaalde winstdeling.
fraus legis. Hij heeft voorts op basis van zijn bevinding dat de beschreven rechtshandelingen een onlosmakelijk geheel vormden en van zijn uitleg van (die samenhang tussen) die rechtshandelingen geoordeeld dat weliswaar juridisch de eigendom van de obligatieportefeuilles is overgedragen aan belanghebbendes dochters, maar dat het economische belang bij [F] is gebleven, zodat de voordelen uit de obligatieportefeuille niet de belanghebbende aangaan. Wel heeft de belanghebbende een bedrag gelijk aan de in 1.4 genoemde 12,24 procent van de obligatierente genoten als vergoeding voor aan [F] verleende diensten, bestaande uit het bieden van
tax sheltervoor [B] ’ obligatierente.
fraus legisniet toe; ook bij fiscaalrechtelijke kwalificatie houdt ‘s Hofs oordeel in dat de voordelen van de portefeuilles (fiscaalrechtelijk) niet aan de dochters van de belanghebbende toekwamen, maar aan [F] , onder betaling, door [F] aan de belanghebbende, van (fiscaalrechtelijk) een vergoeding voor verleende diensten. ’s Hofs uitspraak laat voorts geen andere conclusie toe dan dat hij de aan separate civielrechtelijke kwalificatie van de afzonderlijke rechtshandelingen verbonden fiscale gevolgen onaanvaardbaar achtte gezien hun economische effect en de strekking van de belastingwet, zodat aan de maatstaf van het door de Staatssecretaris ingeroepen arrest HR BNB 2000/126 is voldaan. Het Hof heeft juist expliciet op basis van
economischegerechtigdheid en op basis van de strekking van de wet gekwalificeerd.
fraus legismet betrekking tot de renteaftrek. Anders dan in de tien samenhangende zaken waarin ik op 25 augustus 2016 concludeerde kan de renteaftrek in casu immers
nietde aangekochte
tax capacityvan derden (in casu: de obligatierente) absorberen. De belanghebbende heeft weliswaar een willekeurig oproepbare rentelast gecreëerd, maar daar staat bij haar verbonden crediteur in het VK een compenserende heffing tegenover terwijl de saldering met de obligatierente van [F] is mislukt. Aan de belanghebbende kwam slechts een bedrag ad 12,24% van de obligatierente toe als
feevoor dienstverlening
.Dat is eigen operationele winst van de belanghebbende. Zij kan haar rentebetalingen dus afzetten tegen die
feeen het overschot aan renteaftrek is een voortwentelbaar verlies dat afgezet kan worden tegen toekomstige eigen operationele winsten (niet tegen aangekochte derdenwinsten). Het Hof is expliciet voorbijgegaan aan belanghebbendes stelling dat ook een bedrag ad € 2.778.999, ontvangen van banken en groepsmaatschappijen, eigen operationele winst is. Die stelling zal de feitenrechter nog moeten beoordelen.
pick uponderin de structuur is niet het gevolg van gelieerde leningen, maar van het onjuiste
Bosal-arrest van het HvJ EU, dat een
mismatchcreëerde tussen onbelaste deelnemingsvoordelen en aftrekbaarheid van rechtstreeks aan die onbelaste voordelen toerekenbare kosten. Het voorwaardelijk voorgestelde incidentele middel van de Staatssecretaris faalt daarom mijns inziens.
fee) en dat dit betekent dat – anders dan het Hof heeft geoordeeld – van
fraus legisgeen sprake is en de rente dus wél aftrekbaar is (zij het dat er weinig is om haar tegen af te zetten). ‘s Hofs kwalificatie leidt er slechts toe dat de belanghebbende een groter verlies heeft dan zij heeft aangegeven (dat zij minder inkomsten heeft dan aangegeven). De grondslag voor een boete ex art. 67d(2) AWR ontbreekt dan. Als in casu al sprake is van een onpleitbaar standpunt, had [F] beboet moeten worden. Overigens haalt mijns inziens de Staatssecretaris strijd met de wet en strijd met doel en strekking van de wet door elkaar. ‘s Hof bewijsoordeel dat geen sprake is van strafwaardige misleiding of verhulling, lijkt mij niet onvoldoende gemotiveerd.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
A.G.( [X] AG). Tot de groep behoorden ook de in Londen gedreven vaste inrichtingen
[X-LB]en
[X] International( [X International] ). [X-LB] trekt in de markt vreemd vermogen aan voor de [X] -groep. [X International] is wereldmarktleider in
over the counter derivative products. [7] Tot de groep behoorde ook de eveneens in het VK gevestigde
[X]Ltd. ( [X ltd.] ), een effectenhandelaar/makelaar zonder banklicentie met een vaste inrichting in Nederland. [X ltd.] was voor verkrijging van financiering afhankelijk van andere groepsonderdelen, met name van [X-LB] . In Nederland behoorde voorts tot de groep
[X]B.V. [8] (Holdings BV), een kleindochter van [X] AG.
overnight(van dag tot dag) rechtstreeks door [X-LB] gefinancierd. De winstvennootschappen zijn aldus tussengeschoven in een bestaande geldstroom van [X-LB] naar [X ltd.] c.q. maakten het mogelijk die geldstroom te verbreden.
Bosal-arrest van het HvJ EU (zaak C-168/01) was de betaalde rente aftrekbaar, terwijl de ontvangen dividenden onder de deelnemingsvrijstelling vielen. De in de winstvennootschappen aanwezige realisatiewinsten vielen aldus veelal binnen hetzelfde realisatiejaar weg tegen hoge rentelasten, waardoor effectief de door die realisatiewinsten ontstane vennootschapsbelastingschulden werden geëlimineerd. De leningen werden na winsteliminatie afgelost uit kapitaalterugbetalingen of uit de opbrengst bij verkoop van de buitenlandse deelnemingen.
in fraudem legishebben gehandeld en dat de renteaftrek teruggenomen moet worden voor zover navordering mogelijk is (ten aanzien van de belanghebbende gaat het in die zaken met name over de daaraan voorafgaande vraag of navordering over 2005 en 2006 mogelijk is).
Bosal-constructie ná de boven beschreven
Bosalgat-exploitatie. De belanghebbende had nog steeds de mogelijkheid renteaftrek te creëren en heeft daar andere
tax capacitybij gezocht. Met de eerdere tien zaken heeft de zaak wel gemeen dat de belanghebbende rente aan [X-LB] betaalde op leningen tot financiering van deelnemingen die vrijgestelde deelnemingsvoordelen (
Bosal-gat); het verschil is dat belanghebbendes rentebetalingen niet (alleen, aanvankelijk) werden afgezet tegen de aangekochte realisatiewinsten (die waren na de eerste winstenaankoopronde immers al
sheltered), maar (ook, vervolgens) tegen obligatierente ontvangen op een met dat doel juridisch bij de belanghebbende geparkeerde obligatieportefeuille die volgens het Hof in wezen van [F] was en waarvan [F] in wezen de vruchten genoot.
tax efficient investmentvan [X] aan [F] van juni 2005. Het doel was het rendement na belastingen op door [F] gehouden obligaties te verhogen met de over dat rendement tot dan toe verschuldigde belasting en daarmee het voor winstuitkering beschikbare bedrag te verhogen. Er zou een vennootschap ingeschakeld worden waarin de belanghebbende een zodanig gestructureerd belang zou nemen dat deze vennootschap in de jaarrekening van [F] zou worden meegeconsolideerd terwijl diezelfde vennootschap voor fiscale doeleinden zou kunnen worden opgenomen in een fiscale eenheid met de belanghebbende. Aldus zou het rendement op de obligaties kunnen worden afgezet tegen de belanghebbendes rentebetalingen aan [X-LB] zodat daarover geen vennootschapsbelasting zou zijn verschuldigd.
profit participating loan(PPL).
Lender), [D] (
Borrower) en [C] (
Senior Creditor) een PPL en een lening aangegaan ad € 500 mio respectievelijk € 55 mio. Met de PPL heeft [D] een obligatieportefeuille gekocht van [F] . Op dezelfde datum is een
option agreementgesloten tussen [F] en [C] . Het betreft putopties op het 95%- respectievelijk 5%-belang in [D] alsmede de PPL. Tussen [G] N.V. (
Manager) en [D] (
Customer) is ten slotte een
Asset management agreementgesloten waarin, kort gezegd, het beheer van de portefeuille werd opgedragen aan [G] N.V. ( [G] ). De portefeuille werd geadministreerd op een rekening van [D] bij [B] Bank N.V.
fraudem legishad gehandeld en dat de renteaftrek daarom geweigerd moest worden. Daaraan deed niet af de belastingheffing bij [X-LB] over de renteontvangsten, noch de door de belanghebbende gemaakte vergelijking met een binnenlandsituatie. Over de vergrijpboeten overwoog de Rechtbank dat het de belanghebbende van meet af aan duidelijk was welk verwijt haar werd gemaakt (onterecht opgevoerde renteaftrek) en dat het door de Inspecteur bij verweerschrift en conclusie van dupliek toevoegen van een beroep op
fraus legishaar verdedigingsrechten niet had geschonden. Door de renteaftrek heeft de belanghebbende volgens de Rechtbank de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat haar aangifte onjuist zou zijn of de aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Omdat de Rechtbank belanghebbendes standpunt niet pleitbaar achtte, heeft zij ook de vergrijpboete gehandhaafd.
tax planningstructuur van het
[X]concern waarover het Hof in die uitspraak al had geoordeeld. Het Hof heeft daarom ook in casu de aftrek van de [X-LB] -rente geweigerd wegens
fraus legis. De stelling dat, anders dan in de zaken beslist op 8 oktober 2015, geen sprake zou zijn van gekochte winst, achtte het Hof niet van belang. De vervlechting van alle rechtshandelingen staat volgens het Hof principieel in de weg aan afsplitsing van een deel van de [X-LB] -rente waarvan aftrek niet door
fraus legisverhinderd zou worden. Het Hof is voorbij gegaan (r.o. 4.7.2) aan de stelling dat de belanghebbende in 2007 ook € 2.778.999 rente van banken en groepsmaatschappijen heeft ontvangen.
tax shelter. [10]
V-N2016/53.12 tekende bij deze uitspraak aan:
NTFR2016/2150 aan:
3.Het geding in cassatie
fraus legisen de door hem daaraan verbonden gevolgen. De belanghebbende herhaalt in dat verband de middelen I (geen
fraus legis), II (beroep op EU-recht), III (de fiscus moet niet bij de belanghebbende maar bij de verkopers corrigeren) [11] en IV (er is ook ‘eigen’ winst gemaakt na winstaankoop) die zij ook heeft aangevoerd tegen de uitspraak van het Hof van 8 oktober 2015 en ter zake waarvan ik reeds concludeerde op 25 augustus 2016. In aanvulling daarop richt de belanghebbende zich met middel VI (het middel V dat de belanghebbende in de andere bij u aanhangige zaken aanvoert, voert zij hier niet aan) tegen het oordeel van het Hof dat de rente betaald aan [X-LB] niet aftrekbaar is.
Wie isbeneficial ownervan de obligaties? (principaal middel 1 Staatssecretaris)
tax shelter. Het Hof overwoog:
tax shelterdiensten. Het Hof heeft het bestaan van de putoptie- en leningsovereenkomsten en de juridische eigendomsverhoudingen dus geenszins miskend. Integendeel; het Hof heeft zijn juridische kwalificatie daar juist op gebaseerd. Hij heeft mijns inziens terecht niets anders gedaan dan de volgens hem onlosmakelijk samenhangende contracten van de betrokkenen in hun onderlinge samenhang uitleggen en waarderen. Van zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie in afwijking van de civielrechtelijke waardering en kwalificatie is mijns inziens geen sprake, [16] al gebruikt het Hof de termen ‘voor fiscale doeleinden’ en ‘fiscale kwalificatie,’ die laatste overigens alleen voor de ‘kwalificatie’ van het de 12,24% van de obligatierente die aan de belanghebbende toekomt. ’s Hofs oordeel houdt mijns inziens in dat ook de burgerlijke rechter tot het oordeel zou komen dat [F] slechts een zo kaal mogelijke juridische eigendom van de portefeuilles aan de dochters van de belanghebbende heeft overgedragen en de volledige economische eigendom heeft behouden, onder de verplichting tot betaling van 12,24% van de rente aan de belanghebbende. Gezien hun samenhang met de andere onderdelen van de constructie, zijn ook de PPL’s niet op zichzelf beoordeeld en hebben zij geen eigen afzonderlijke betekenis (ook de fiscus zag hen – aanvankelijk – slechts als reken
toolom de ontweken belasting te verdelen). Daardoor behaalden de dochters van de belanghebbende geen eigen winsten die gedeeld zouden hebben kunnen worden: door het volgens het Hof onlosmakelijk met elkaar samenhangende
samenstelvan de transacties - waaronder de PPL’s - kwam de winst (de rente en de vermogensresultaten op de obligaties) niet op aan belanghebbendes dochters (die de obligaties slechts voor rekening en risico van [F] hielden), maar aan [F] als – ook civielrechtelijk -
beneficial owner. In ’s Hofs niet-onbegrijpelijke uitleg van de contracten en de feiten en bij diens mijns inziens niet van rechtskundige fouten getuigende juridische kwalificatie daarvan is de ombouw van [B] ’ obligatierendement in onbelast deelnemingsdividend dus mislukt. Alle voor- en nadelen uit de portefeuilles kwamen ten goede aan [F] en de dochters van de belanghebbende waren te dier zake slechts loketten; daarnaast kreeg de belanghebbende van [F] (eveneens via belanghebbendes dochters als loket) een bedrag gelijk aan 12,24% van de rente als vergoeding voor dienstverlening.
zalkopen, terwijl A slechts een klein vast jaarlijks bedrag toekomt om – om wat voor reden dan ook - als juridisch eigenaar te fungeren, dan ook de civiele rechter zal oordelen dat niet A, maar B economisch eigenaar is, dat wil zeggen alle vermogens- en exploitatierisico’s loopt en gerechtigd is tot alle voor- en nadelen. Als de belastingrechter in dat geval de vermogensmutaties, afschrijvingen, verzekeringspremies en –uitkeringen, huuropbrengst en exploitatiekosten bij B in aanmerking neemt onder aftrek van dat kleine aan A toekomende bedrag, is dat geen zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie (waarbij fiscaalrechtelijk andere gevolgen aan de transacties worden verbonden dan civielrechtelijk) maar gewone toepassing van de belastingnorm op de civielrechtelijke kwalificatie van de feiten en het samenstel van de contracten.
tax efficient investmentpropositie van [X] aan [B] , de PPL-overeenkomsten, de aandeelhoudersovereenkomsten, de optieovereenkomsten, de feitelijke gang van zaken waaronder het beheer van de obligatieportefeuilles en de bepaling van het beleggingsbeleid, het ontbreken van andere activa bij [D] en [L] , de activering en consolidatie van de obligatieportefeuilles op de balans van [F] , de onderlinge samenhang tussen dit alles en het werkelijke effect daarvan voor de posities van de contractspartijen. Ik zou menen dat op basis van de vaststaande feiten en de door het Hof vastgestelde implicaties van de eveneens door het Hof vastgestelde onverbrekelijke samenhang tussen de rechtshandelingen een andere kwalificatie dan die waartoe het Hof is gekomen, moeilijk te begrijpen zou zijn.
tax shelterdiensten (dus als wij aannemen dat civielrechtelijk de rechtshandelingen niet als één samenhangend geheel beoordeeld zouden worden, maar separaat van elkaar), is het middel ongegrond. Ook als het gaat om fiscaalrechtelijke herkwalificatie, komen wij aan
fraus legisniet toe: ook als het oordeel van het Hof gebaseerd is op afwijkende zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie, blijft dat oordeel inhouden dat de economische eigendom en de voordelen van de portefeuilles (fiscaalrechtelijk) niet aan de dochters van de belanghebbende toekwamen, maar aan [F] , onder betaling, door [F] , van een bedrag ad 12,24% van de rente aan de belanghebbende voor verleende diensten. Anders dan de Staatssecretaris stelt, houdt ’s Hofs uitspraak wel degelijk onmiskenbaar in dat (ook) aan de in HR BNB 2000/126 geformuleerde criteria voor zelfstandige fiscale kwalificatie is voldaan: het Hof heeft onmiskenbaar de aan separate civielrechtelijke kwalificatie van de afzonderlijke rechtshandelingen verbonden fiscale gevolgen onaanvaardbaar geacht, gezien hun economische effect en de strekking van de belastingwet (dat laatste volgt alleen al uit het gegeven dat het Hof – mijns inziens ten onrechte - ook
fraus legistoepaste, dus strijd met doel en strekking van de belastingwet zag); het Hof heeft juist expliciet op basis van het economische resultaat en van de strekking van de belastingwet gekwalificeerd.
5.Aftrekbaarheid rente (principale middelen I, III en VI belanghebbende)
fraus legis. Het bestrijdt met name de volgende overweging:
Bosal-mismatch, resulterende in aftrekbare financieringslasten tegenover onbelaste deelnemingsresultaten. Dat is op zichzelf nog geen
fraus legis. Recent nog oordeelde u dat in het systeem van de Wet Vpb besloten ligt dat belastingplichtigen vrij zijn in hun keuze van financiering met eigen of vreemd vermogen van hun deelnemingen en in hun keuze om economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap. [21]
Bosalgat kunstmatig véél groter gemaakt en quasi-oneindig; een fiscaal zwart gat, als het ware. ’s Hofs feitelijke oordeel dat [X-LB] ’s toegang tot de kapitaalmarkt weliswaar niet onbeperkt was, maar feitelijk voldoende om de structuur vrijwel naar willekeur te herhalen, acht ik geenszins onbegrijpelijk, mede gezien het gegeven dat vier volgtijdige rondjes à € 4,5 miljard plaatsvonden. Zolang er winstvennootschappen van derden gevonden konden worden, kon de winsteliminatiemachine blijven draaien. Dat geen oneindige financieringsbehoefte bestond en/omdat er ook geen oneindige investeringsmogelijkheden waren, is mijns inziens niet relevant. Relevant is dat de alleen fiscaal verklaarbare omleiding langs een zeer ruim potentieel van naar wens inkoopbare
tax capacityertoe strekte om de door de wetgever manifest wél bedoelde vennootschapsbelastingheffing over realisatiewinsten van derden naar eigen inzicht op industriële schaal te frustreren en dat zulks feitelijk ook gebeurde.
tax capacity, ook bij de belanghebbenden 4 en 5. Of die
capacityis ontstaan door een gelieerde of een ongelieerde realisatie van hun meerwaarden, is voor de beoogde kunstmatige opschaling van het
Bosalgat
neither here nor there.
fraus legisjurisprudentie heeft gecodificeerd in bepalingen zoals die over grondslaguitholling (art. 10a Wet Vpb), onderkapitalisatie (art. 10d (oud) Wet Vpb) en houdsterverliezen (art. 20(4) Wet Vpb), is daarvoor mijns inziens niet relevant. [22] Ik merk overigens op dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 20a Wet Vpb wel expliciet blijkt dat de wetgever handel in fiscale verliezen en winsten van derden niet wenselijk achtte.”
tax capacityen het naar hartenlust bij elkaar brengen van
bespokerenteaftrek en die gekochte
tax capacity”. Ik voegde daaraan toe (uitgaande van een compenserende heffing in het VK [23] ):
Bosal-mismatchslechts gebruikt hadden om heffing over de bestaande eigen operationele winst van de [X] -groep in Nederland te verijdelen met gebruikmaking van reeds bestaande financieringsbehoefte. De
fraus legiszit in het naar believen extern inkopen van bedrijfsvreemde
tax capacityen die opvullen met evenzeer naar believen daarop afstembare rentelasten.”
tax shelterdiensten; die 12,24% was het saldo van de door die dochters gerapporteerde ontvangen obligatierente en betaalde PPL-rente (r.o. 4.9.1), welke laatste rente fungeerde als belastingbesparingsverdeelsleutel).
tax capacityvan [F] te verwerven omdat zij (ook civielrechtelijk, maar minstens fiscaalrechtelijk) niet gerechtigd is geworden tot de voor- en nadelen van de obligatieportefeuilles, maar slechts tot een bedrag gelijk aan 12,24% van de obligatierente als vergoeding voor (mislukte) dienstverlening. Belanghebbendes dochters waren blijkens ‘s Hofs niet-onbegrijpelijke feitelijke oordelen en contractuitleg en juridische kwalificatie (ook civielrechtelijk, maar minstens fiscaalrechtelijk) niet de
beneficial owners; zij hebben niet het economische belang en niet de economische gerechtigdheid verkregen, hoezeer zij ook bloot-juridisch obligatiehoudster waren.
beneficial ownerbelast zijn (de ‘winstdeling’ op de PPL’s is immers niets anders dan de doorbetaling door belanghebbendes dochters van de voor rekening en risico van [F] ontvangen obligatierente). Het Hof heeft mijns inziens echter terecht geoordeeld (r.o. 4.8.5) dat de inhoud van die vaststellingsovereenkomst en de fiscale behandeling van de obligatievoordelen bij [F] niet ter zake doet in belanghebbendes procedure.
tax capacity) heeft aangekocht om georganiseerde renteaftrek tegen af te zetten. Het eerste is in casu niet gesteld; het tweede was wel de bedoeling, maar is blijkens ‘s Hofs feitelijke vaststellingen, contractsuitleg en juridische kwalificatie mislukt.
tax capacityvan [F] en haar rente-aftrek bij elkaar te brengen (kunstmatige en willekeurige opblazing van het
Bosal-gat, zoals in de eerdere tien samenhangende zaken), maar dat is dus blijkens ’s Hofs oordeel niet gelukt. De rentelasten werden weliswaar naar believen opgeroepen, maar nu (i) de aftrek ervan niet kon dienen tot het wegpoetsen van de obligatierente van [F] en (ii) belanghebbendes crediteur ( [X-LB] ) aan een compenserende heffing was onderworpen, [29] is aan de voorwaarden van
fraus legisniet voldaan. Na ’s Hofs kwalificatie van de inhoud en samenhang van de contracten en van de feiten komen wij aan
fraus legisniet meer toe, want de constructie is door die kwalificatie al mislukt. Het is niet in strijd met doel en strekking van de wet – gegeven een compenserende heffing in het VK – dat de belanghebbende haar rentebetalingen afzet tegen eigen operationale winsten; dat is het ‘gewone’ Bosalgat, dat het HvJ EU nu eenmaal ten onrechte in het Nederlandse stelsel heeft geschoten. Als er geen eigen operationele winsten zijn, heeft de belanghebbende een (beperkt) voortwentelbaar verlies, dat zij kan afzetten tegen eventuele toekomstige eigen operationele winsten, als zij bijvoorbeeld voor eigen rekening en risico een houtvergasser of een pianofabriek begint. Dat verlies kan
nietdoor
carry backof
carry forwardafgezet worden tegen bedrijfsvreemde aangekochte
tax capacity; dat zou immers wél handelen
in fraudem legiszijn.
feevoor de (mislukte) fiscale dienstverlening door de belanghebbende jegens [F] . Het opdromen, vermarkten en uitvoeren van de constructie is immers de verdienste van de belanghebbende, haar eigen ondernemersactiviteit, waarover zij ondernemersrisico liep, zoals het risico van mislukken van de constructie en van mogelijke aansprakelijkstelling deswege door [F] (al valt niet meteen in te zien welke schade [F] als gevolg daarvan zou hebben geleden). Zij kan haar rentebetalingen dus afzetten tegen die
fee. Het exces aan rentebetalingen boven de
feeis een voortwentelbaar verlies dat zij alleen kan afzetten tegen eigen operationele winsten.
fraus legisgenegeerde constructie dat eveneens genegeerd wordt, nu wij immers als gevolg van gewone rechtsvinding (c.q., desgewenst, fiscaalrechtelijke kwalificatie) niet toekomen aan
fraus legis. De lening van [X-LB] en de rente daarop worden mijns inziens dus ook niet genegeerd (zij het dat er weinig is om tegen die rente af te zetten, nu zij alleen tegen eigen operationele winsten afgezet kan worden).
tax capacity; het [X] -concern kocht in die zaken immers de aandelen in geldzakvennootschappen met contemporaine realisatiewinsten. Uiteraard was er ook enige beleggingsopbrengst ná die aankoop, maar dat was geen eigen operationele winst, maar een volstrekt onzelfstandig neveneffect van de frauslegiaanse aankopen dat even zeer als de pre-aankoop-realisatiewinsten uitsluitend als gevolg van de frauslegiaanse handelingen niet belast zou kunnen worden en dat ook verdwijnt als de lening verdwijnt door veronachtzaming. Zie onderdeel 6.15 van de conclusie in die zaken. In casu daarentegen wordt de lening niet genegeerd (wij komen immers niet toe aan
fraus legis) en gaat het bij de
tax shelter service feegeenszins om een volstrekt bijkomend effect van frauslegiaanse handelingen dat mede genegeerd wordt, maar om een samenstel van rechtshandelingen dat (zowel civielrechtelijk als) fiscaalrechtelijk zelfstandige dienstverlening tegen vergoeding oplevert. Omdat het Hof voorbijgegaan is aan het karakter van de in 5.11 genoemde € 2,8 miljoen ontvangen rente, is onduidelijk of het daarbij om eigen operationele winsten van de belanghebbende gaat, waartegen zij wel degelijk haar betaalde rente zou kunnen afzetten. Er moet daarom mijns inziens na vernietiging verwezen worden om dat uit te zoeken.
(Geen) compenserende heffing? (voorwaardelijk incidenteel middel Staatssecretaris)
pick uptegenover de aftrekbare rente, is het gevolg van het onjuiste
Bosal-arrest van het HvJ EU (zaak C-168/01) dat een
mismatchcreëerde tussen onbelaste deelnemingsvoordelen en aftrekbaarheid van rechtstreeks aan die onbelaste voordelen toerekenbare kosten (in dit geval de rentebetalingen). [32]
7.(Geen) pleitbaar standpunt (principaal middel 2 Staatssecretaris)
nietzodanige argumenten waren aan te voeren dat haar geen lichtvaardigheid en daarmee (voorwaardelijk) opzet [33] op onjuiste aangifte kan worden verweten. De Staatssecretaris gaat er echter aan voorbij dat volgens ’s Hofs feitelijke vaststellingen, contractsuitleg en juridische kwalificatie daarvan de opbrengsten uit de obligatieportefeuille niet door de belanghebbende maar door [F] genoten zijn (onder de verplichting 12,24% van de rente aan de belanghebbende te vergoeden) en dat zulks impliceert –
andersdan het Hof heeft geoordeeld – dat van
fraus legisgeen sprake is en de rente dus wél aftrekbaar is (zij het dat er weinig is om haar tegen af te zetten). Als op dit punt van opzet op een onjuiste aangifte sprake is, zit die onjuistheid erin dat de belanghebbende heeft getracht iets weg te poetsen dat er niet was, althans niet bij haar. ’s Hofs mijns inziens juiste kwalificatie (vergoeding voor dienstverlening; economische eigendom bleef bij [F] ; belanghebbendes dochters waren loketten of doorgeefluiken; op de PPL werd geen winst gedeeld, want er was geen winst) leidt er slechts toe (zie de onderdelen 4 en 5 hierboven) dat de belanghebbende een groter verlies heeft dan zij heeft aangegeven. Dat is vergelijkbaar met het ten onrechte aangeven van een te hoge winst. Ik meen dat dan de grondslag voor oplegging van een boete ex art. 67d(2) AWR ontbreekt.
fee) ten onrechte niet heeft aangegeven. Het weinige dat wij uit het dossier weten over de vaststellingsovereenkomst tussen de fiscus en [F] suggereert echter dat de rente evenmin bij [F] is belast, zodat alsdan ook daar geen boetegrondslag voorhanden is. Dat de fiscus daarmee heeft ingestemd bij vaststellingsovereenkomst met [F] , is geen grond voor het aannemen van een boetegrondslag bij de belanghebbende.
fraus legisvan stal gehaald moet worden, en zelfs dat zij extreem frauslegiaans (gekunsteld) is, betekent niet dat zij in strijd met de wet is. [34] De antifiscale trapezewerker wil immers
nietin strijd met de wet handelen, maar juist – zij het gekunsteld -
conformde wet(tekst), om de materiële belastingschuld zodanig te beïnvloeden dat de ratio van de wet wordt gefrustreerd. Wat de fraudeur onderscheidt van de antifiscale constructeur, is het verschil tussen wederrechtelijk voordeel (door middel van verhulling of bedrog) en oneigenlijk voordeel (door middel van slimme inrichting van – niet-verhulde – rechtshandelingen). [35] De Staatssecretaris kan toegegeven worden dat dit onderscheid niet een iegelijk zal aanspreken, want beiden willen hetzelfde: van de algemene middelen profiteren zonder er aan bij te dragen. De fraudeur heeft alleen minder verstand van het recht en gebruikt daarom andere middelen. Het betoog van de fiscus komt er op neer dat de belanghebbende weliswaar alle afzonderlijke contracten heeft overgelegd en afzonderlijke feiten heeft meegedeeld, maar niet hun samenhang en het daaraan ten grondslag liggende
master plan, en dat zij op dat laatste punt zo ontwijkend en verhullend op vragen van de fiscus heeft geantwoord dat het in wezen gaat om verzwijging, althans misleiding, die per definitie niet pleitbaar is. ‘s Hof bewijsoordeel dat geen sprake is van een mate van onthouding van informatie of van misleiding die de grens van strafbaarheid oversteekt, lijkt mij echter niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
master plan: de antifiscale samenhang tussen de gereleveerde feiten en contracten - aan de fiscus moeten openbaren (de puzzel moet voordoen) ook als diens informatieverzoeken daar niet op gericht zijn. Een dergelijke plicht tot
advance disclosurebestaat in Nederland echter (nog) niet. Staatssecretaris Wiebes is wel voornemens zo’n verplichting in te voeren. [36] De fiscus heeft voorts geen jurisprudentie aangevoerd waaruit volgt dat de belanghebbende tevoren had moeten weten dat haar constructie niet zou kunnen vliegen.