Conclusie
1.O.B.J. Poorthuis en P.R. Dekker q.q.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
kaneen R-C worden benoemd (art. 223a Fw). Dat hoeft strikt genomen niet, maar is tegenwoordig wel vrijwel altijd praktijk [5] . Zijn taak is enerzijds adviserend aan de bewindvoerder en de R-C fungeert bijvoorbeeld niet als beroepsinstantie voor sommige beslissingen van de curator zoals in faillissement (art. 69 Fw Pro). Maar bij de al of niet totstandkoming van een akkoord is de R-C, indien benoemd, ter vergadering ook beslisser, zo volgt uit art. 265 lid Pro 5, 266, 267 en 268a Fw. Hoewel een akkoord in surseance is geënt op het akkoord in faillissement, is de doelstelling van een surseance-akkoord anders, namelijk sanering van de financiële positie van de schuldenaar. Vandaar dat er geen formele verificatie van vorderingen plaatsvindt en de surseance ook geen renvooiprocedure kent. Bij een surseance-akkoord gaat het erom dat door de R-C kan worden beslist welke crediteuren met welke vorderingen tot de stemming over het akkoord kunnen worden toegelaten, zo volgt uit art. 267 Fw Pro [6] . Betwistingen en erkenningen zijn volgens Verschoof primair bedoeld ter gedachtebepaling van de R-C, die in beginsel vrij is een erkenning of betwisting van een vordering te negeren. De R-C is volgens art. 267 Fw Pro vrij te beslissen of en in welke mate crediteuren worden toegelaten tot stemming over het akkoord en die beslissing wordt genomen op grond van hetgeen ter vergadering is aangevoerd [7] . Bij gebreke van een benoemde R-C worden deze besluiten genomen door de rechtbank in raadkamer volgens art. 255 lid 1 onder Pro 2° Fw.
rechteringevolge de surseancetitel geen hogere voorzieningen open staan, tenzij het tegendeel is bepaald en dat ook cassatie in belang der wet altijd mogelijk is. Het is de vraag of dit betekent dat tegen de beslissingen waar [verzoeker] in deze zaak tegen opkomt geen “gewone” rechtsmiddelen open staan, zoals de rechtbank en de curatoren Accessio menen. We zullen zien dat dit zich vooral toespitst op de vraag of de beslissing over het dwangakkoord niet appellabel moet zijn. Het probleem is dat tegelijk met het creëren van de mogelijkheid van vaststelling van zo’n dwangakkoord door de wetgever aanvankelijk is aangegeven dat daartegen een beroepsmogelijkheid analoog aan art. 67 Fw Pro wordt opengesteld door een beoogd tweede lid van art. 282 Fw Pro. Het verschil in regeling van het dwangakkoord bij de schuldsaneringsregeling, waar beroep uitdrukkelijk is uitgesloten in art. 315 lid 2 Fw Pro (vgl. art. 332 lid 4 Fw Pro), werd in de toelichting gemotiveerd met het argument dat de gevolgen van (weigering van) dwangakkoorden bij surseance ingrijpender zijn dan bij schuldsanering. Vervolgens is de beroepsmogelijkheid hangende het wetgevingsproces jaren later echter weer ingetrokken bij derde nota van wijziging met als argument dat moet worden gewaakt voor te grote belasting van de rechter. Het is de vraag of dat de rechtsbescherming niet te ver op de tocht zet – en of voldoende scherp op het netvlies heeft gestaan wat hier precies gebeurde; de intrekking maakte deel uit van een grotere stofkamoperatie. Ik kom hier in 2.7 en 3.13-3.15 op terug.
in de surseancetiteldie het tegendeel bepaalt, geen (hoger) beroep open stond tegen de aangevallen “rechterlijke” beslissingen van de R-C en [verzoeker] daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de rechtbank. Waarom een R-C die beslissingen neemt als in deze zaak door [verzoeker] aangevallen dat niet doet als rechter(lijk functionaris) [13] , valt niet goed in te zien. Leentjebuur plegen bij de titel over faillissement (art. 67 Fw Pro – beroep tegen bepaalde beschikkingen van de R-C in faillissement op rechtbank; vgl. ook de overeenkomstige bepaling voor schuldsanering, art. 315 Fw Pro, of art. 12 Fw Pro – cassatieregeling (weigering) faillietverklaring) of aansluiting zoeken bij de algemene cassatieregeling uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 426 Rv Pro) en dan betogen dat dit een geval is, waarin het tegendeel is bepaald in de zin van art. 282 Fw Pro, komt wetssystematisch gewrongen voor. Hoewel surseance van betaling in de praktijk vaak een voorstadium van faillissement vormt, heeft het in opzet en regeling een ander karakter: alleen de schuldenaar kan surseance aanvragen en surseance is niet (uiteindelijk [14] ) gericht op vereffening van de boedel ten behoeve van de schuldeisers, maar op sanering van de gerezen financiële problemen. Surseance is ook bedoeld als een snel traject. Het wordt maar voor beperkte tijd verleend en voor een beperkt aantal vorderingen (separatisten, Belastingdienst, werknemers en dwangcrediteuren zijn uitgezonderd) en als het akkoord mislukt, volgt als regel faillissement om de boedel onder leiding van een curator te vereffenen. Daar past in beginsel goed bij dat van R-C-beslissingen (waarbij te bedenken is dat een R-C in faillissement andere taken heeft dan een R-C in de surseance-regeling [15] ) alleen beroep open staat als de wet dat expliciet bepaalt. Een parallel trekken met art. 67 Fw Pro ligt dan gelet op deze verschillen niet voor de hand. De wettelijk aangewezen weg is hier art. 269a Fw (verbetering p-v, die als gezegd ook is bewandeld in onze zaak evenwijdig aan het ingestelde beroep van de beslissingen van de R-C). Daar komt als gezichtspunt bij dat door de wetgever betrekkelijk recent uitdrukkelijk is overwogen om een beroepsmogelijkheid van R-C-beslissingen op de rechtbank mogelijk te maken (net als dat bij faillissement geldt, art. 67 Fw Pro, en bij de schuldsaneringsregeling, art. 315 Fw Pro), maar dat is hangende het wetgevingstraject weer ingetrokken [16] . Ondanks die intrekking nu toch art. 67 Fw Pro analoog willen toepassen, ligt dan niet in de rede. Een parallel met art. 12 Fw Pro ligt zo bezien vanwege deze verschillen evenmin voor de hand. Uit de zinsnede in art. 282 lid 2 Fw Pro “behoudens cassatie in het belang der wet” kan worden afgeleid dat tenzij uitdrukkelijk toegestaan ook geen cassatieberoep mogelijk is [17] . Dat volgt ook al uit de gehanteerde terminologie “geen hogere voorziening” [18] uit art. 282 Fw Pro. Langs deze weg zou het cassatieberoep grotendeels stranden – althans, indien het gedane beroep op een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod niet slaagt. Daar komen we verderop inhoudelijk aan toe.
beslissingen inzake het akkoord– en
de dwangakkoord-beslissing.
verbetering van het p-vverzocht – en dat is kwestie 3).
in faillissementgenomen beslissingen over stemming over een akkoord lijkt te volgen van niet [19] :
a fortiori) zou moeten worden aangenomen voor R-C beslissingen over een surseance-akkoord [21] . Dat tegen de beslissingen over het akkoord geen hoger beroep en vervolgens geen cassatie open staat, is zodoende al te baseren op de
aardvan de betreffende beslissingen, als dit zo zou mogen worden doorgetrokken naar de surseance van betaling [22] .
niet ontvankelijk is in kwestie 1), de beslissingen inzake het akkoord.
rechtbank in eerste aanlegen daartegen is op grond van het rechtsmiddelenverbod van art. 282 Fw Pro (behoudens slagend beroep op een doorbrekingsgrond) geen hoger beroep of cassatie mogelijk.
hoger beroepkunnen instellen volgens art. 358 Rv Pro [26] . Dat betekent dat [verzoeker] in cassatie
niet ontvankelijk is in zijn klachten inzake kwestie 3), ziend op de beschikking naar aanleiding van het herstelverzoek volgens art. 269a Fw.
Inzake kwestie 2) is het cassatieberoep naar ik meen wel ontvankelijk.
3.Inhoudelijke bespreking van het cassatiemiddel
independent and impartial tribunal established by law. De benoeming van een R-C in surseance is
established by law: art. 223a Fw. Het begrip
tribunalmoet verdragsautonoom worden uitgelegd [32] . Of sprake is van een
tribunaldient materieel te worden beoordeeld: is sprake van een instantie met de bevoegdheid om op basis van het geldende recht en volgens de voorgeschreven procedures een voor partijen bindende beslissing te geven in juridische geschillen, welke beslissing niet (tegen de zin van één van partijen) gewijzigd kan worden door een niet-rechterlijk orgaan [33] . Ook hieraan is in onze zaak voldaan.
independent and impartialis. Deze twee vereisten liggen dicht tegen elkaar en worden door het EHRM doorgaans gezamenlijk getoetst [34] . Het EHRM toetst de
onafhankelijkheidvan het gerecht onder meer aan (i) de wijze van benoeming van het gerecht; (ii) de duur van de benoeming van het gerecht; (iii) de afwezigheid van beïnvloeding van het gerecht van binnenuit en vanuit de buitenwacht en (iv) de afwezigheid van schijn van afhankelijkheid [35] . De in het onderdeel aangehaalde argumenten trekken de
onafhankelijkheidvan de R-C volgens mij niet in twijfel.
onpartijdigheidvan het gerecht wordt door het EHRM zowel objectief als subjectief (de persoonlijke onpartijdigheid van de rechter) getoetst [36] . Bij
objectieve partijdigheidkan bijvoorbeeld worden gedacht aan eerdere bemoeienis van de rechter met de zaak, zoals als rechter in een eerdere instantie, of een andere (hiërarchische) band tussen de betrokken rechter en één van de andere actoren in de procedure [37] . Een dergelijke objectieve partijdigheid is hier gesteld noch gebleken, of dit moet zijn bedoeld in het verweerschrift niet-ontvankelijkheid onder 1.7 met “functionele onpartijdigheid”. [verzoeker] verwijst hier overigens uitsluitend naar de positie van R-C
in faillissement, die, zoals we hebben gezien, een andere is dan die van R-C
in surseance, zodat deze stellingname alleen al daarom niet concludent is te achten. Enkel vooroverleg met een van de bewindvoerders kwalificeert niet als objectief partijdig [38] .
subjectief onpartijdigte zijn, tenzij het tegendeel is bewezen [39] . In dat laatste slaagt [verzoeker] volgens mij niet. Het enkele feit dat de R-C vooroverleg heeft gehad met een van de bewindvoerders en dat zij een van de bewindvoerders heeft voorgedragen voor ontslag is daartoe (volstrekt) onvoldoende. Dat de rechtbank het ontslag van de bewindvoerder heeft afgewezen maakt dit niet anders. Zelfs als hieruit zou moeten worden afgeleid dat de R-C de haar toekomende bevoegdheid om een bewindvoerder voor ontslag voor te dragen (art. 224 lid 2 Fw Pro) verkeerd zou hebben toegepast, brengt dit nog niet mee dat de R-C geacht moet worden
subjectief partijdigte zijn. Verder heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd waarom het feit dat de R-C tijdens de vergadering van schuldeisers van 5 oktober 2016 enkele voor hem onwelgevallige beslissingen heeft genomen zou moeten leiden tot het oordeel dat sprake is van partijdigheid. Ook hetgeen hij bij verweerschrift niet-ontvankelijkheid onder 1.8 over gebrek aan “persoonlijke onpartijdigheid” aanvoert maakt dit niet anders.
R-Cgeen beslissing van een
rechteris als bedoeld in art. 282 Fw Pro.
subonderdeel 1.3heeft subsidiair te gelden dat de rechtbank heeft miskend dat een beslissing op grond van art. 268a Fw (dwangakkoord surseance) niet valt onder het rechtsmiddelenverbod van art. 282 Fw Pro, nu art. 268a tegelijk is ingevoerd met art. 146 Fw Pro (dwangakkoord faillissement), voor het faillissementsdwangakkoord hoger beroep bestaat en uit de parlementaire geschiedenis blijkt [40] dat het de bedoeling was dat hoger beroep hier mogelijk zou worden. Althans is hier sprake van ontoereikende motivering.
Ogem Holding [41] is uitgemaakt dat art. 282 Fw Pro strikt moet worden uitgelegd en alleen ziet op beslissingen van de rechter waartoe deze door enige bepaling van de tweede titel van de Faillissementswet uitdrukkelijk wordt geroepen. Een uitsluiting van beslissingen van een R-C als zodanig valt hierin niet te lezen [42] . We zagen al dat de lagere rechtspraak hier verdeeld over is [43] . De regering ging er in het voorstel van wet [44] van de Wijzigingswet Faillissementswet van 24 november 2004 [45] ook van uit dat R-C beschikkingen onder het rechtsmiddelenverbod van art. 282 Fw Pro vallen door een tweede artikellid voor te stellen waarin beroep tegen beschikkingen van de R-C wordt opengesteld. Blijkens de memorie van toelichting had de regering hier mede het oog op dwangakkoord-beschikkingen volgens het nieuw in te voeren art. 268a Fw [46] . Bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel is het voorgestelde artikellid vervolgens evenwel weer ingetrokken [47] . Anders dan door [verzoeker] bij de rechtbank betoogd [48] , heeft de regering die intrekking wel degelijk gemotiveerd: de beroepsmogelijkheid tegen R-C-beschikkingen in surseance zou leiden tot een te zware belasting van de rechterlijke macht [49] .
subonderdeel 1.3opgenomen motiveringsklacht tegen het oordeel van de rechtbank dat art. 282 Fw Pro van toepassing is, nu de rechtbank niet gehouden is een rechtsoordeel te motiveren.
verwerpingvan een verzocht dwangakkoord moet aangeven waarom de tegenstanders wel in redelijkheid tot hun tegenstem konden komen en daarbij alle omstandigheden die naar voren zijn gebracht de revue moet beoordelen. Zo bezien gaat het onderdeel uit van een onjuiste rechtsopvatting.
onderdeel 2.
wijze waarop is gestemd niet preciesin het proces-verbaal is weergegeven. Maar art. 269 Fw Pro moet niet zo letterlijk genomen worden als het onderdeel voorstaat. Anders dan het onderdeel poneert, bevestigt of laat de rechtbank volgens mij niet in het midden dat niet iedere crediteur zijn stem daadwerkelijk heeft uitgebracht. Met de constatering dat
alle aanwezige crediteuren hun stem hebben kunnen uitbrengen en zijn meegeteld bij de stemmingstelt de rechtbank volgens mij vast dat alle crediteuren wél hebben gestemd. De hiervoor geciteerde tekst van het p-v laat ruimte voor zo’n lezing [58] . Bovendien wordt de stelling van [verzoeker] dat de R-C niet alle crediteuren heeft laten stemmen door de curatoren [van betrokkene 1] betwist [59] , en betwisten de curatoren Accessio de stellingen van [verzoeker] in zijn beroepsschriften in algemene zin [60] . Een en ander brengt de rechtbank kennelijk, en volgens mij zo bezien niet onbegrijpelijk, tot het oordeel dat wel door alle crediteuren is gestemd.
niettoepast, maar dat sprake is van
onjuistetoepassing. Onjuiste toepassing van een regel is geen grond voor doorbreking [61] . Hetzelfde geldt voor de toepassing van art. 269a Fw door de rechtbank. Daar loopt het beroep op de doorbrekingsleer al op stuk. Van een fundamentele schending van rechten is bovendien volgens mij geen sprake, nu aan de hand van het p-v op de zo-even aangegeven wijze gelezen kan worden vastgesteld dat het akkoord niet is aangenomen en kan worden achterhaald hoe er door de crediteuren is gestemd.
onderdeel 3niet tot cassatie leiden.