Conclusie
eerste middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om professor Van Koppen te benoemen als deskundige om het hof voor te lichten over de omstandigheden waaronder de bekentenis van verdachte tot stand is gekomen en over het daaraan verbonden risico dat verdachte valse bekentenissen heeft afgelegd.
tweede middelverwijt het hof dat het niet of ontoereikend heeft gereageerd op allerlei bezwaren die de verdediging tegen de bewijsconstructie heeft ingebracht. Zo is betoogd dat de Mr. Big-methode onbetrouwbaar is en tot valse bekentenissen leidt. Hetgeen in de schriftuur ter toelichting van het tweede middel onder § 2.26, 2.27 en 2.28 is betoogd zal ik nadien bespreken, als het derde middel aan de orde komt.
tweede middelwordt geconstateerd dat de bekennende verklaringen van verdachte geen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Verdachte heeft verklaard dat hij met een steen het slachtoffer 'de hersens heeft ingeslagen', maar daarvan kan niet blijken. Evenmin is ondanks nader onderzoek iets van de attributen die verdachte voor vermomming zou hebben gebruikt gevonden. Van unieke, zeer specifieke daderkennis blijkt niet uit de verklaringen van verdachte. In § 2.27 en § 2.28 wordt betoogd dat het slachtoffer moeilijk een harde ijselijke gil kan hebben geslaakt nadat zij al door verdachte knock-out was geslagen. Het
derde middelklaagt daarop voortbordurend over de afwijzing van de door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario's onder verwijzing naar de door verdachte afgelegde bekentenis. Deze alternatieve scenario's zijn niet volkomen ongeloofwaardig. Er zijn omstandigheden niet onderzocht die relevant waren voor het onderzoek naar die alternatieve scenario's van een inbraak of van drugsgerelateerd geweld. De motivering die het hof gebruikt om de suggestie van alternatieve scenario's opzij te schuiven is ontoereikend.
Alternatieve scenario’s