Conclusie
1.Feiten en procesverloop
€ 25.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening alsmede te vermeerderen met de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten. [3]
"dat ieder van ondergetekenden hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zal blijven als voormeld totdat hij schriftelijk uit die aansprakelijkheid zal zijn ontslagen door de bank".
uitsluitendmet een schriftelijk ontslag uit de hoofdelijkheid kon worden volstaan. Naar ’s hofs oordeel ligt zulks inderdaad in de aangehaalde tekst besloten.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
productie 1 in cassatie);
productie 2 in cassatie);
productie 3 in cassatie [12] ); dat verzoek is door de rolraadsheer op 7 maart 2016 (om 15:03 uur) afgewezen (
productie 4 in cassatie [13] );
productie 5 in cassatie [14] );
productie 1 in cassatie);
productie 6 in cassatie);
productie 7 in cassatie);
productie 8 in cassatie).
subonderdeel 1.1dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft veronachtzaamd door:
vermeerderde eisvan ING (rov. 3.8, slot), en
stellingenvan ING uit de memorie van antwoord (nrs. 47-54) met betrekking tot een schriftelijkheidsvereiste voor een ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid in zijn oordeel heeft betrokken (rov. 3.12.1-3.12.2),
reageren, terwijl hij wel heeft verzocht om een akte te mogen nemen.
mogelijkbij memorie van antwoord op te voeren deel van de vordering reeds
op voorhand [22] met grieven te bestrijden.
bijzonderezorgplicht jegens niet- consumenten zoals [eiser] hebben, welke meebrengt dat zij de klant zorgvuldig moeten informeren over het financieel product. Indien en voor zover het hof dit niet zou hebben miskend, is zijn beslissing onbegrijpelijk nu het niet heeft aangegeven waarom er wel sprake is van een ‘zorgplicht’ van ING doch niet van een bijzondere zorgplicht die meebrengt dat zij [eiser] zorgvuldig moet informeren over het financieel product.
gezichtspuntenwordt gehanteerd. [29] Geklaagd wordt dat het hof, door zich geen kenbare rekenschap te geven van die gezichtspunten (desnoods ambtshalve onder aanvulling van rechtsgronden), met zijn beslissingen dat ING bij het aangaan van de overeenkomst niet haar zorgplicht heeft geschonden (rov. 3.10.1 en 3.10.2) hetzij heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn beslissingen niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
in fine), zulks op de grond dat (zie rov. 3.10.2):
subsidiair,“voor zover [eiser] wel gehouden kan worden aan de bedoelde hoofdelijkheidsverklaring”, wordt betoogd dat ING, door [eiser] onvoldoende te informeren, wegens schending van haar bijzondere zorgplicht jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld (MvG nrs. 13-14). [eiser] heeft aan deze kwalificaties echter geen enkel
gevolgverbonden. Hij heeft met name niet gesteld dat, laat staan op welke gronden, het tekortschieten of onrechtmatig handelen van ING ertoe leidt dat de veronderstelde, uit de hoofdelijke verbondenheid van [eiser] voortvloeiende vordering van ING niettemin zou moeten worden afgewezen, zoals in het petitum (uitsluitend) is gevorderd. [eiser] heeft bij zijn klachten dan ook geen belang.
financiering tegen een dergelijke zekerheidsverstrekking’), het kennisniveau en de ervaring van de cliënt, de ingewikkeldheid van de rechten en verplichtingen die een bepaalde overeenkomst voor de cliënt meebrengt, en de risico’s en mogelijke gevolgen voor de cliënt (rov. 3.10.2 vanaf ‘
Hij geeft echter geen enkel inzicht ...’ tot en met ‘...
wat ook rechtens reeds gold op basis van art. 18 WvK Pro.’).
zelfde uitoefening vormt van het betreffende bedrijf. Een verband met het bedrijf is onvoldoende.
zelfde uitoefening vormt van het betreffende bedrijf.
een derde, [33] terwijl uit die wetgeschiedenis tevens volgt dat daarvan bij een eenmanszaak of vennootschap onder firma in het kader van de toepassing van art. 1:88 BW Pro geen sprake is. [34] Ik verwijs naar de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis:
AG] wijzigt de vrijstelling van het vereiste der toestemming, die artikel 88 lid 1 onder Pro c thans bevat voor borgstellingen en dgl. die «in de uitoefening van een beroep of bedrijf» worden gegeven. In de rechtspraak wordt deze vrijstelling thans zeer beperkt uitgelegd (...). Een beperkte uitleg valt in het belang van de andere echtgenoot in beginsel toe te juichen, omdat garanties ten behoeve van derden uitzonderlijke en gevaarlijke handelingen plegen te zijn. Echter bestaat er aanleiding toe voor één categorie uitzondering te maken. Degene die een zelfstandig beroep uitoefent of door een eenmansonderneming of vennootschap onder firma aan het zakenleven deelneemt, draagt daarvoor de volle aansprakelijkheid, waarvan zijn echtgenoot de financiële gevolgen kan ondervinden, zonder dat diens toestemming voor de aansprakelijkheid scheppende handelingen is vereist. Deze persoonlijke aansprakelijkheid kan in beginsel worden uitgesloten door het beroep of bedrijf door middel van een naamloze of besloten vennootschap uit te oefenen, doch de enkele aansprakelijkheid van deze vennootschap wordt in de praktijk niet ten onrechte veelal onvoldoende geacht bij belangrijke transacties, zoals geldleningen. Gebruikelijk is dan ook dat daarvoor door de wederpartij extra zekerheid wordt verlangd door middel van handelingen als die waarop lid 1 onder c het oog heeft. Lid 4 komt aan deze behoefte van de praktijk tegemoet. Dit is ook tegenover de andere echtgenoot gerechtvaardigd, omdat deze geen meerder risico loopt dan bij rechtstreekse beroeps- of bedrijfsuitoefening buiten de rechtsvorm der besloten vennootschap
.(…)
Artikel 88 lid Pro 4. Ter inleiding van de beantwoording der vragen waartoe deze bepaling aanleiding geeft, wil ik opmerken dat zij in het bijzonder van belang is voor middenstandsbedrijven in de rechtsvorm van een BV. Een middenstandsonderneming is zonder bankkrediet nauwelijks te drijven. Wordt zij gedreven in de vorm van een eenmanszaak of een vennootschap onder een firma, dan pleegt de bank allerlei zakelijke zekerheid te bedingen, doch bovendien is de eigenaar der zaak, resp. zijn de vennoten, tegenover de bank ook volledig persoonlijk aansprakelijk. Door oprichting van, vaak «omzetting» van een bestaand bedrijf in, een BV valt die persoonlijke aansprakelijkheid weg. Voor haar bereidheid tot kredietverlening pleegt de bank dan ook in zulk een geval de verlening van borgtocht door de ondernemer te verlangen. Aangezien, zoals opgemerkt, bankkrediet voor het ondernemen onontbeerlijk is, valt daaraan wel niet te ontkomen. Maar dan is het ook niet gewenst dat de echtgenoot het verstrekken van die borgtocht kan tegenhouden. Het alternatief zou dan zijn dat hetzij de onderneming, gewoonlijk de bron van inkomen voor het gezin, moet sluiten of worden verkocht, hetzij de ondernemer machtiging van de kantonrechter moet zien te verkrijgen, met alle echtelijke onaangenaamheden die daaraan zijn verbonden. Daarbij moet worden gedacht dat de keuze van de rechtsvorm der onderneming niet of slechts in geringe mate met het oog op de gevolgen voor het huwelijksvermogensrecht wordt bepaald, maar veeleer door commerciële of fiscale overwegingen.” [38]