Conclusie
middelklaagt dat het hof in strijd met art. 422, tweede lid, Sv slechts heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. De toelichting houdt in dat in het arrest is opgenomen dat het is gewezen ‘naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep’. Op grond van artikel 422, tweede lid, Sv dient de beraadslaging in hoger beroep eveneens te geschieden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte zou door het niet naleven van dit voorschrift in zijn belangen zijn geschaad. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 19 mei 2016 was de verdachte persoonlijk aanwezig en heeft hij volgens de steller uitgebreid verklaard over het feit en over zijn persoonlijke omstandigheden. Kennisneming van die omstandigheden zou van belang zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Uw Raad zou niet kunnen treden in de relevantie van de afgelegde verklaringen voor de beantwoording van die vragen; daardoor zou Uw Raad volgens de steller op de stoel van de feitenrechter gaan zitten. [1]
de auditu-bewijs door de Hoge Raad. (…) Verklaringen die tegenover de politie zijn afgelegd mogen in beginsel zonder enige belemmering via het proces-verbaal tot het bewijs meewerken, niet alleen in eerste aanleg maar ook in hoger beroep. Dan is het merkwaardig wanneer de wet suggereert of bewerkstelligt dat (gelijkluidende) verklaringen die tegenover de rechter-commissaris of een andere zittingsrechter zijn afgelegd, slechts onder specifieke omstandigheden tot het bewijs mogen meewerken. Dat is ongerijmd.’ [4]
NJ2006/666 heeft gewezen waaruit op het eerste gezicht een wat strengere benadering lijkt te kunnen worden afgeleid in gevallen waarin erover geklaagd wordt dat art. 422, tweede lid, Sv geschonden is.
NJ1935, p. 534 e.v. was ingezet. In dat arrest heeft Uw Raad naar aanleiding van een cassatiemiddel dat over schending van art. 422 Sv Pro klaagde overwogen:
NJ2006/666 lijkt als gezegd een wat andere benadering te zijn gekozen. [7] Het hof had in deze zaak arrest gewezen na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 15 maart 2005, en overwogen dat het arrest was ‘gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 november 2005’. Geklaagd werd ‘dat het Hof ten onrechte niet mede heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg’. P-G Fokkens verwees naar HR 15 oktober 1991,
DD92.054, waarin – in lijn met het arrest uit 1935 – was overwogen dat ‘geen rechtsregel het Hof noopte met zoveel woorden in zijn arrest tot uitdrukking te brengen dat het overeenkomstig het voorschrift van art. 422, eerste lid, Sv heeft beraadslaagd zowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep als van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad’ en meende dat het middel om die reden strandde. Uw Raad oordeelde evenwel:
NJ2015/187. [8] In die zaak had het hof vastgesteld dat het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg ontbrak. [9] Uw Raad overwoog dat het er daarom voor moest worden gehouden dat het hof niet had beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Dat leidde echter niet tot nietigheid. Uw Raad nam daarbij in aanmerking dat de politierechter de zaak bij verstek had behandeld, dat de verdachte en zijn gemachtigde raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig waren geweest en daar het woord hadden gevoerd, en dat het hof het vonnis van de politierechter had vernietigd. Gelet op wat door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep was aangevoerd omtrent het belang dat het hof mede beraadslaagt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, bleek volgens Uw Raad niet dat de verdachte door het verzuim in enig belang was geschaad.
NJ2006/666. Hij constateerde vervolgens dat het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep inhield ‘dat de voorzitter in het kort de inhoud van de stukken van de zaak mededeelt waaruit valt op te maken dat ter terechtzitting ook de verklaringen die verdachte in eerste aanleg heeft afgelegd aan de orde zijn gesteld. Tijdens zijn ondervraging in hoger beroep heeft verdachte herhaalde malen verwezen naar eerdere door hem afgelegde verklaringen. Er is geen enkel redelijk aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het hof geen kennis heeft genomen van de verklaringen die verdachte in eerste aanleg heeft afgelegd.’ Om die reden komt hij tot de conclusie dat het middel faalt. Feitelijk sluit die benadering meer aan bij de rechtsregel uit 1935.