Conclusie
middelde klacht dat het hof in strijd met artikel 422, tweede lid, Sv slechts heeft vermeld dat het arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, zodat uit de bestreden uitspraak niet volgt dat het hof heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, terwijl de verdachte daardoor in haar belangen is geschaad.
NJ1935, p. 534, bleek uit het vonnis [13] van de rechtbank dat het was gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting ‘in hooger beroep’. De Hoge Raad verwierp de klacht dat niet blijkt dat het vonnis ook gewezen is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en overwoog daarbij dat hoewel in het vonnis niet met zoveel woorden wordt vermeld dat ook is beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, uit niets blijkt dat de rechtbank dit verzuimd zou hebben en veeleer uit de omstandigheid dat de rechtbank in het vonnis verklaart dat zij de stukken van het rechtsgeding heeft gezien het tegendeel zou zijn af te leiden en dat overigens de wet de rechter niet verplicht om in het vonnis kenbaar te maken dat hij overeenkomstig het voorschrift van art. 422 Sv Pro heeft gehandeld. De Hoge Raad heeft dergelijke klachten in latere rechtspraak op vergelijkbare gronden afgedaan. [14] In HR 15 oktober 1991,
DD89.415/92.054 heeft de Hoge Raad kort en bondig overwogen dat de klacht dat uit het arrest van het hof niet kan blijken dat mede naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft plaatsgehad “miskent dat geen rechtsregel het Hof noopte met zoveel woorden in zijn arrest tot uitdrukking te brengen dat het overeenkomstig het voorschrift van art. 422, eerste lid, Sv heeft beraadslaagd zowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep als van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad”. [15]
NJ2006/666 lijken de panelen, zeker in vergelijking met het onder 9. genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1935, immers wat te zijn gaan schuiven. Net als in de zaak uit 1935, werd ook nu in de bestreden uitspraak vermeld dat het was gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De Hoge Raad constateerde in 2006 echter dat uit de bestreden uitspraak niet kan volgen dat het hof heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals het volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad. Vervolgens is overwogen dat niet-naleving van dit voorschrift in de wet niet uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd en dat zodanige nietigheid evenmin voortvloeit uit de aard van dat voorschrift. Niet-naleving leidt eerst dan tot nietigheid indien de verdachte door het verzuim in enig belang is geschaad. Nu niet gesteld of gebleken is dat daarvan sprake is, was het middel volgens de Hoge Raad tevergeefs voorgesteld.
Het was stom. Ik had geen eten en het was bijna Pasen. De bewindvoerder gaf mij geen geld. Ik pleegde de diefstal uit uiterste nood. Ik ben met een kennis van mij meegereden naar Terneuzen. Ik wist dat er proeftijden boven mijn hoofd hingen. Een mens moet ook eten. Ik heb nu nog veel schulden maar het gaat beter. (…) Ik heb een bewindvoerder. Ik hoef geen budgettering. Ik heb de Reclassering uitgelegd dat ik een toezicht niet zinvol acht. Net als maatschappelijk werk. Ik heb dat al zo vaak geprobeerd. Het heeft geen zin. Zij zeggen dingen die ik al weet, ik weet alleen niet hoe ik het ten uitvoer moet leggen.”