Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairzoals door hem voorgesteld,
subsidiairzoals door de rechtbank in goede justitie vast te stellen of,
meer subsidiair, ten overstaan van een notaris met benoeming van een notaris en onzijdig persoon.
grieven 7, 8 en 9– verzocht deze beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover van belang (onder II):
subsidiairte bepalen dat het recht van erfpacht op het appartement in Moskou te gelde dient te worden gemaakt door de vrouw en dat de opbrengst na aftrek van notaris- en makelaarskosten en eventuele andere kosten onder beide partijen gelijkelijk wordt verdeeld;
meer subsidiairde woning toe te delen aan de vrouw en te bepalen dat zij aan de man dient te betalen een bedrag van € 35.000,-, zijnde 50% van de waarde van het recht van erfpacht op het appartement in Moskou;
nog meer subsidiairde verdeling op een wijze te gelasten, die het hof op de voet van art. 3:185 BW Pro juist acht.
goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater (…) is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen” een niet-gerechtvaardigd onderscheid maakt tussen Nederlandse en Russische erflaters. Dat voorlopige oordeel luidt bevestigend (rov. 7.19.1-7.19.2). Volgens het hof ligt het dan op de weg van de partij die zich op het ontbreken van de uitsluitingsclausule (in een (Nederlandse) uiterste wilsbeschikking) wil beroepen, in dit geval de man, feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen die dat beroep in de onderhavige zaak niettemin rechtvaardigen. Bij gebreke hiervan dient art. 1:94 BW Pro (oud) waar het een (Nederlandse) uiterste wilsbeschikking als voorwaarde stelt voor uitsluiting, wegens strijd met art. 14 EVRM Pro jo. art. 1 Eerste Pro Protocol (hierna ook: P1) en art. 1 Twaalfde Pro Protocol bij het EVRM (hierna ook: P12) buiten toepassing te blijven en valt het recht van erfpacht op het appartement in Moskou buiten de huwelijksgemeenschap van partijen (rov. 7.19.2). Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over dat voorlopige oordeel en over elkaars reactie daarop uit te laten, en iedere verdere beslissing aangehouden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Het (recht van erfpacht op het) appartement in Moskou (grieven 7 en 8 in principaal appel)
WPNR1990 (5954), p. 205-206, en voorts M. van Yperen-Groenleer, ‘De uitsluitingsclausule in internationaal perspectief,
TRP2013, p. 351) maar tot een wetswijziging in die zin is het niet gekomen. Ook op het zojuist omschreven geval is art. 1:94 BW Pro dus van toepassing.
dispositions inter vivos or by will” en het recht “
to make gifts or legacies in favour of [a] child.” (EHRM 13 juni 1979, appl. no. 6833/74, Marckx/België, par. 63-65.)
Kamerstukken II2013/14, 33 987 (Voorstel tot wijziging van Boek 1 BW teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken), nr. 3, p. 7-8.) Dit laatste, naar mag worden aangenomen, na voorlichting van de (Nederlandse) erflaters daarover door de notaris of op initiatief van de Nederlandse erflaters zelf die wél bekend zijn met de uitsluitingsclausule of geacht kunnen worden daarmee bekend te zijn (veelal ook omdat zij al te maken hebben gehad met de uitsluitingsclausule, bijvoorbeeld doordat zij zelf (of juist een echtgenoot) begunstigden waren van een uitsluitingsclausule). Buitenlandse erflaters zullen in de regel niet van die informatie profiteren of over die ervaring beschikken. Thans is een wetsvoorstel aanhangig dat inhoudt dat de wettelijke gemeenschap
nietautomatisch omvat de goederen die krachtens erfopvolging bij versterf worden verkregen (en waarbij samengevat, de uitsluitingsclausule wordt vervangen door een insluitingsclausule),
Kamerstukken I2015/16, 33 987 (hiervóór reeds aangehaald), nr. A. Het wetsvoorstel beoogt ook uitdrukkelijk “in een steeds internationaler wordende samenleving” meer aan te sluiten bij de gangbare stelsels (
Kamerstukken II2013/14, 33 987 (hiervóór reeds aangehaald), nr. 3, p. 7-8.)
14. De verdere beoordeling
vrouwbegrijpt het arrest van de Hoge Raad zó, dat moet worden onderzocht of toepassing van art 1:94 BW Pro met betrekking tot het recht van erfpacht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, maar niét of dit wetsartikel wegens strijdigheid met art. 14 EVRM Pro jo. art. 1 P1 en met art. 1 P12 buiten toepassing dient te blijven (reactie 4 april 2017, pt. 9).
manmerkt het volgende op. In het arrest heeft de Hoge Raad zich al “geboden over de vraag” van de verenigbaarheid met het EVRM. Uit het ontbreken van enige overweging van de Hoge Raad omtrent het EVRM moet worden geconcludeerd dat het EVRM niet (middels ambtshalve aanvulling) tot cassatie kon leiden. “Met andere woorden: art 1:94 BW Pro is niet discriminatoir” (reactie 12 april 2017, p. 3, 5e alinea).
hofoordeelt als volgt.
hofoordeelt als volgt.
KamerstukkenII 2013/14, 33 987 (Voorstel tot wijziging van Boek 1 BW teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken), nr. 3, p. 7-8). Met ingang van 1 januari 2018 wordt het bedoelde stelsel dan ook afgeschaft (
Stb. 2017, 177 en 178). Door die uitzonderingspositie zullen niet-Nederlandse (onder wie ook Russische) erflaters, er veelal niet op bedacht zijn dat hetgeen hun erfgenamen erven zonder de uitsluitingsclausule, naar Nederlands recht in de huwelijksgemeenschap valt (
Kamerstukken, zojuist genoemd, p. 8). (Van die internationalisering en uitzonderingspositie was naar het oordeel van het hof ook al sprake ten tijde van het overlijden van de moeder van de vrouw, de Russische erflaatster, in 2007.)
hofzal alleen beslissen over het voorliggende geschil en dat ziet op een Russische erflaatster en Russisch recht.
hofverwerpt ook dit betoog van de man. Dat een erflater bij de bedoelde huwelijkse voorwaarden, naar Russisch recht (toch nog) bij uiterste wilsbeschikking een uitsluitingsclausule kan maken (wat in Nederland bij de wettelijke algehele gemeenschap van goederen dus wel kan), is namelijk gesteld noch gebleken. Overigens doet de mogelijkheid van bedoelde huwelijkse voorwaarden er niet aan af dat het Russische recht, anders dan het Nederlandse recht, de algehele gemeenschap van goederen niet “tot uitgangspunt” (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017, rov. 3.4) neemt. De man heeft ook niet aangevoerd dat de bedoelde huwelijkse voorwaarden zo gebruikelijk zijn dat in Rusland de algehele gemeenschap van goederen (die ook nalatenschappen omvat) feitelijk het standaard-huwelijksvermogensregime is (althans zo vaak voorkomt dat er van enige vergelijkbaarheid met Nederland op dit punt sprake is).
derhalve (…) in deze het appartementsrecht en de goederen die de vrouw heeft verkregen uit de nalatenschap van haar moeder uitgezonderd zijn van de huwelijksgemeenschap van partijen”.
het resultaat dat Uw Hof thans wenst te bereiken, langs deze weg van de aanpassingsleer[hebben]
opgelost, zulks middels de corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Die gekozen weg geeft al aan dat er correctie noodzakelijk is en dat er derhalve objectief een rechtvaardiging aanwezig is daarvoor.” [16]
dat op de erfrechtelijke verkrijging buitenlands recht van toepassing is, welk recht op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlandse recht”. Verder meent de man dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld – in de weg die de Hoge Raad heeft gekozen, met de daarbij behorende op de vrouw rustende bewijslast – om tot een correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid over te (kunnen) gaan. Hij is zelf nog wel ingegaan op de door de Hoge Raad genoemde gezichtspunten. Omdat de bewijslast in het voorlopige oordeel van het hof afwijkt van die uit het arrest van de Hoge Raad, verzoekt de man het hof voor zover nodig terug te komen op de beslissing omtrent de bewijslastverdeling.
De door Uw Hof gekozen weg is niet de weg die de Hoge Raad derhalve kiest.[De vrouw]
verzoekt Uw Hof derhalve terug te komen op dat eerdere voorlopige oordeel.” De vrouw geeft nog aan dat (de casus van) het arrest van de Hoge Raad op een aantal essentiële punten verschilt van de onderhavige casus, en dat volgens haar de corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid in het onderhavige geval derhalve maakt dat het recht van erfpacht op het appartementsrecht buiten de gemeenschap valt.
eveneenstoe zou leiden dat de toenmalige bepaling van art. 1:94 lid 2 BW Pro (kort gezegd: dat alle goederen in de gemeenschap vallen) op het uit erfenis verkregen recht van erfpacht niet van toepassing zou zijn.
niet(maar in eerste reactie op het voorlopig oordeel van het hof
wel) (expliciet) met een beroep op verdragsbepalingen, maar (veeleer) met een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid – echter wel degelijk betoogd. De vrouw heeft zich derhalve beroepen op het rechtsgevolg dat ook met de door het hof bewandelde weg werd (of kon worden) bereikt. Daarmee is in het algemeen sprake van een geoorloofde (en ook verplichte) aanvulling van rechtsgronden in de zin van art. 25 Rv Pro. Het hof heeft zich daarbij ook niet bediend van (niet algemeen bekende) feiten en omstandigheden die door de vrouw niet in dit kader naar voren zijn gebracht en aan haar verzoek als argument ten grondslag zijn gelegd (art. 24 Rv Pro.). De kwestie behoorde bovendien tot het in hoger beroep door de grieven ontsloten gebied, nu de vrouw zich met haar
grieven 8 en 9tegen het oordeel van de rechtbank heeft gekeerd dat het door de vrouw geërfde erfpachtrecht op het appartement in Moskou in de te verdelen huwelijksgemeenschap valt en tegen de daaruit voortvloeiende beslissing dat het recht van erfpacht aan de vrouw wordt toebedeeld (tegen betaling aan de man van de helft van de marktwaarde van het erfpachtrecht).
op de (enkele) grond datdit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, en niet heeft gewild dat het hof haar verzoek zou beoordelen en/of toewijzen op grond van strijd met bepalingen uit het EVRM en de daarbij behorende protocollen, zoals het hof dit reeds in zijn voorlopige oordeel had aangegeven. Mijns inziens kan dit niet licht aangenomen worden, nu met een dergelijke beslissing het rechtsgevolg dat de vrouw met haar verzoek beoogde immers wel degelijk zou kunnen worden (en in beginsel ook werd) bereikt, en de vrouw hierbij zelfs (gelet op de door het hof op de man gelegde bewijslast) in een betere positie werd gebracht dan het geval zou zijn geweest met de door haar bepleite weg van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (waar de bewijslast op de vrouw zou zijn komen te liggen). Het (betreffende onderdeel van het) cassatieberoep is dan ook aangevoerd door de man. Ook voor hem moet het voorgaande duidelijk zijn geweest. Hij mocht mijns inziens dan ook niet (zonder meer) verwachten dat het hof de zaak – op grond van de door de vrouw ingenomen positie – enkel via de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zou kunnen en/of mogen afdoen. Hij is bovendien, als gezegd, uitgebreid in de gelegenheid gesteld ook op de door het hof in zijn voorlopige oordeel ingenomen standpunt te reageren, zowel vóór als nadat de Hoge Raad zijn arrest had gewezen.
zoals de vrouw aanvoert”) en de laatste zin van rov. 14.5 (“
De vrouw is het eens met het voorlopige oordeel”) – (ook) kennelijk zo opgevat dat deze moeten worden gelezen in het licht van het arrest van de Hoge Raad, waarin de Raad zélf de weg van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid volgt, en dat de vrouw heeft aangenomen dat deze door de Hoge Raad in die zaak aangewezen weg dan ook hier zal moeten worden gevolgd en er geen ruimte (meer) zou zijn voor de door het hof in zijn voorlopige oordeel gevolgde weg, anders dan dat zij uit zichzelf – om andere redenen dan de zojuist genoemde – haar verzoek heeft willen beperken tot eerstgenoemde rechtsgrond. Dat heeft het hof mijns inziens dus ook kunnen doen, zonder daarmee een onbegrijpelijk oordeel te geven.
disproportionelenadelige gevolgen heeft voor een specifieke groep. Het hof heeft slechts vastgesteld dat sprake is van nadelige gevolgen, doch heeft niet, althans niet kenbaar, getoetst of deze nadelige gevolgen disproportioneel zijn.
buitende gemeenschap blijft. Voor dat probleem biedt echter de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid mijns inziens niet alleen een adequate oplossingsmogelijkheid, bovendien is hier naar mijn idee ook geen sprake van een probleem van ongelijke behandeling, of beter: van de gelijke behandeling van ongelijke gevallen. [28]
algehele) gemeenschap van goederen viel. [31] Ook een Nederlandse erflater moest daarover – bij gebrek aan eigen kennis daaromtrent, hetgeen in het gros van de gevallen aan de orde zal zijn – inlichtingen inwinnen en advies vragen. De hoofdregel van boedelmenging van art. 1:94 lid Pro 2 (oud) BW gold óók bij de Nederlandse erflater die (uiteindelijk) geen uiterste wilsbeschikking, en dus geen uitsluitingsclausule, bleek te hebben opgesteld.