Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
pro rata-benadering onjuist; hij meent dat de opwaardering ofwel in haar geheel winst, ofwel in haar geheel informeel kapitaal is en in casu geheel winst is omdat een informele kapitaalstorting volgens hem door u alleen wordt aangenomen als een voordeel zijn grond
enkelvindt in de vennootschappelijke verhoudingen.
evenredigworden toegerekend aan de zakelijke en de intervennootschappelijke motieven voor de garantie, (ii) de volloop moet geheel worden toegerekend aan de
overwegendebeweegreden of (iii) de volloop is alleen informeel kapitaal als zij haar grond
enkelvond in concernmotieven.
geheel of ten delezijn grond vindt in haar vennootschappelijke betrekkingen, daarbij rekening houdend met de zakelijke belangen van [D] onderscheidenlijk [A] bij het financieel overeind houden van [B] ” (mijn
curs.). Dat suggereert dat u om bent gegaan en dat geen dichotomische keuze uit informele kapitaalinbreng en winst gemaakt hoeft te worden, maar dat het voordeel splitsbaar is in deels zakelijk en deels onzakelijk afhankelijk van het relatieve gewicht van de motieven voor het geven van de garantie. Het Hof Amsterdam heeft de opdracht inderdaad als een (nieuwe)
pro rata parte-benadering opgevat en heeft zich dus afgevraagd wat het relatieve gewicht is geweest van de motieven voor de garantie. Hij heeft vervolgens belanghebbendes voordeel door de garantie voor 12,6% verklaard uit de vennootschappelijke betrekkingen en voor 87,4% uit commerciële overwegingen.
voor haar garantstelling jegens [A], terwijl de Staatssecretaris mijns inziens gelijk heeft dat een geheel ongemotiveerde motiefsplitsing in 12,6% zakelijk en 87,4% onzakelijk niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
temporelesplitsing van de garantie: zij kan dan zakelijk zijn voor zover zij ziet op de leverancierskredieten die een ongelieerde leverancier nog verleend zou hebben, en onzakelijk voor zover zij ziet op de kredieten verstrekt ná het moment waarop een ongelieerde leverancier het voor gezien zou hebben gehouden. Het dossier wijst echter uit dat het volledige litigieuze leverancierskrediet is opgebouwd vóórdat [B] werd ingelijfd op 31 maart 2010, dus per definitie volledig in zakelijke (ongelieerde) verhoudingen.
BNB1996/51 en HR
BNB2000/240 volgt dat de bewijslast rust op diegene die een informele kapitaalstorting stelt, zodat middelonderdeel (i) faalt.
voor het financieel overeind houden van [B]. Dat is echter niet beslissend voor de vraag waar het om gaat, nl. in hoeverre [D] commerciële motieven had
voor haar garantie jegens [A]. Dit middelonderdeel treft dus doel. Mijns inziens slaagt voorts middelonderdeel (v), ook als u wél om gegaan zou zijn: ’s Hofs motievenopsplitsing (87,4% commercieel en 12,6% concernverhoudingen), hoezeer ook ‘in goede justitie’ geschat, komt uit de lucht vallen en is daarom mijns inziens onvoldoende gemotiveerd.
2.De feiten en het geding in en na eerste cassatie
De feiten
BNB2016/199) ziet geen wezenlijk verschil tussen de onderhavige garantie en de garantie in HR
BNB2015/13 (zie 4.9). Hij denkt niet dat u met de termen ‘geheel of ten dele’ in de verwijzingsopdracht en ‘(gedeeltelijk)’ in r.o. 2. een diepere betekenis voor ogen had:
FED2016/104) vraagt zich af of het zwarte-concerncijfersbelang-argument jaarrekeningtechnisch wel hout snijdt. Hij meent dat de onzakelijkelening-jurisprudentie niet van toepassing is: [7]
NTFR2017/1486) vraagt zich af of het Hof de verwijzingsopdracht goed heeft begrepen:
FutD(2017/1058) vindt ‘s Hofs pro rata-benadering opmerkelijk:
NLF2017/1094) ziet twee mogelijke infokaps, maar meent dat de litigieuze opwaardering als geheel geen onzakelijk karakter heeft. Volgens hem heeft u het verwijzingshof op een doodlopend spoor gezet:
3.Het geding in tweede cassatie
niettegelijkertijd (einde boekjaar 2009/2010) verstrekt zou zijn:
verweerbetoogt de Staatssecretaris dat degene die zich beroept op onzakelijk handelen daarvoor de bewijslast draagt en dat het Hof de bewijslast dus correct heeft verdeeld. Hij wijst in navolging van de Inspecteur op uw jurisprudentie over onzakelijke kwijtschelding bij een zakelijke lening door een moeder aan de dochter (HR 15 maart 2000, nr 34466, ECLI:NL:HR:2000:AA5127,
BNB2000/240 (r.o. 3.4) en HR 15 november 1995, nr 30408, ECLI:NL:HR:1995:BI5453,
BNB1996/51 (r.o. 3.3)) en op het commentaar van Aardema op HR 7 februari 1990,
FED1990/436 (ECLI:NL:HR:1990:ZC4222) over informeel kapitaal in de kostensfeer:
geheeltot de winst van de belanghebbende heeft gerekend, hoewel het feitelijk heeft vastgesteld dat de handelingen die ten grondslag liggen aan die volloop (mede) zakelijk waren en dus niet
enkelvoortvloeiden uit de vennootschappelijke verhoudingen. Daaruit volgt dat de vorderingen in beginsel ook buiten gelieerde verhoudingen in overigens dezelfde omstandigheden volgelopen zouden zijn. Het Hof heeft volgens de Staatssecretaris dan ook ten onrechte een deel van de volloop als informele kapitaalstorting aangemerkt. Uit HR
BNB1957/165 (zie 4.3) en sindsdien vaste rechtspraak leidt hij af dat een informele kapitaalstorting pas wordt aangenomen als een voordeel
enkelop basis van de vennootschappelijke verhoudingen aan een gelieerde vennootschap toekomt en dat voordeel onder gelijke omstandigheden niet aan een onafhankelijke derde zou zijn verschaft. Hij ziet deze benadering ook in uw onzakelijke-lening-jurisprudentie, met name in HR
BNB2012/37, r.o. 3.3.5, HR
BNB2015/13, r.o. 2.3 en HR
BNB2004/265, r.o. 3.2. Uit dat laatste arrest leidt hij af dat als het recht om een gelieerde vennootschap in vrijwaring te roepen, ook zou zijn prijsgegeven zonder invloed van de vennootschappelijke verhoudingen, de gevolgen wel van invloed zijn op de fiscale winst. Uit ‘s Hofs verdeling tussen zakelijk (87,4%) en onzakelijk (12,6%) volgt dat de zakelijke overwegingen de doorslag gaven, zodat het Hof de hele volloop als belaste winst had moeten kwalificeren, aldus de Staatssecretaris. Hij acht ‘s Hofs splitsing overigens “nogal arbitrair”.
verweerbetoogt de belanghebbende dat een
pro rata-benadering het billijkst is. Uit uw verwijzingsopdracht volgt dat u een
pro rata-verdeling wenst (‘geheel of ten dele’). Zij vindt er steun voor in een artikel van Bobeldijk (zie 4.11). Aan een pro-rata-verdeling wordt volgens de belanghebbende overigens niet toegekomen omdat aan de garantstelling door [D] volgens haar
uitsluitendbinnengroepse motieven ten grondslag lagen.
4.Informeel kapitaal
De bewijslast ter zake van een informele kapitaalstorting
BNB1996/51 heeft u geoordeeld dat degene die meent dat sprake is van een informele kapitaalinbreng in plaats van ondernemingswinst, daarvoor de bewijslast draagt: [9]
BNB2000/240 liet u een hofoordeel in stand dat inhield dat de belanghebbende de onzakelijkheid van een kwijtschelding niet aannemelijk had gemaakt: [10]
BNB1957/165 [11] betrof een belanghebbende wier voorraad kantoormachines na de oorlog was uitgeput. Haar Amerikaanse moedervennootschap zond een partij tweedehands machines. De Nederlandsche Bank stelde als voorwaarde de storting van de koopsom op een geblokkeerde rekening, het saldo waarvan slechts mocht worden gebruikt voor de financiering van belanghebbendes pensioenregeling. De inspecteur rekende het in 1953 van de rekening gehaalde bedrag tot belanghebbendes winst. U overwoog:
BNB2002/272 had haar de aandelen in de belanghebbende verkocht aan enige managers van de belanghebbende en daarbij aan die managers een garantie gegeven ter zake van de kosten van eventuele bodemsanering. [12] De bodem bleek verontreinigd. De kosten (een bedrag ‘
fd’) werden aan de belanghebbende vergoed door de voormalige moedermaatschappij. De inspecteur zag daarin winst voor de belanghebbende, maar u zag een correctie op de door de managers betaalde koopsom voor de aandelen gevolgd door een informele kapitaalinbreng:
pro rata-benadering (splitsen in een deel concernbelang en een deel ondernemingsuitoefening): als de handeling (in casu: aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid voor een groepskrediet) achterwege zou zijn gebleven in ongelieerde verhoudingen, is het gevolg van die handeling in zijn geheel geen winst/verlies, maar iets in de kapitaalsfeer en wordt dat gevolg niet gesplitst in deels zakelijk en deels onzakelijk.
BNB1978/252 [14] betrof een belanghebbende die over een lening van haar in Zweden gevestigde moeder - tot aankoop van de aandelen X - geen rente was verschuldigd. De belanghebbende en X vormden een fiscale eenheid. De Zweedse moeder verstrekte ook leningen aan X waarover evenmin rente was verschuldigd. U overwoog:
BNB2001/199 [15] werd u de vraag voorgelegd of een valutavoordeel doordat een in guldens opgestelde factuur (afkomstig van een gelieerde vennootschap) ook in dollars kon worden betaald en daarbij bovendien de keuze bestond tussen de wisselkoers ten tijde van de facturering en de koers ten tijde van de betaling, een informele kapitaalinbreng inhield. Het keuzevoordeel was volgens u een informele kapitaalinbreng omdat het bieden van de keuze een bewuste bevoordeling door de aandeelhouder als zodanig was:
BNB2004/265 [16] betrof een belanghebbende die leningen aan derden had verstrekt voor de aflossing waarvan haar dochter zich garant had gesteld. In 1988 werd besloten het kredietrisico bij de belanghebbende te concentreren en de garanties door de dochter te laten vervallen. De belanghebbende had de uitgeleende bedragen in haar aangifte 1988 geheel ten laste van haar winst gebracht. Voor zover voor het verval van de garanties op onzakelijke gronden geen of een te lage vergoeding was bedongen van de dochter, moest volgens u de winst van de belanghebbende dienovereenkomstig worden gecorrigeerd:
BNB2016/199) leidt hieruit af dat er twee mogelijkheden zijn:
BNB2015/13 [17] was enig aandeelhouder van A Beheer BV en hoofdelijk aansprakelijk voor de aflossing van een lening van de Rabobank aan die BV. Hij betaalde uit hoofde van die aansprakelijkheid € 160.000 aan de bank, gefinancierd met een lening. Dat bedrag, en de kosten van de lening, wenste hij als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in mindering op zijn inkomen te brengen. U oordeelde over de zakelijkheid van de lening als volgt:
5.Behandeling van de beroepen
FED2016/104; zie 2.10) betwijfelt of het zwarte-concerncijfersbelang-argument jaarrekeningtechnisch hout snijdt. Hij verwacht dat bij overname van [B] de vorderingen en schulden tussen de belanghebbende en [B] bij consolidatie tegen elkaar wegvallen. Dat is echter niet gesteld.
evenredigworden toegerekend aan de zakelijke en de intervennootschappelijke motieven voor de garantie, (ii) de volloop moet geheel worden toegerekend aan de
overwegendebeweegreden of (iii) de volloop is alleen informeel kapitaal als zij haar grond
enkelvond in concernmotieven.
BNB1957/165 (zie 4.3). In benadering (iii) is beslissend of de garantie ook zou zijn gegeven als [A] en [D] niet gelieerd waren geweest. Ik meen dat die benadering inderdaad volgt uit het Zweedse Grootmoederarrest (zie 4.6), uit HR
BNB2000/240 (zie 4.2: “(…) dat haar moedervennootschap enkel op grond van de aandeelhoudersrelatie een kwijtschelding heeft verleend die zij onder vergelijkbare omstandigheden aan een van haar onafhankelijke onderneming niet zou hebben verleend”), uit HR
BNB2001/199 (zie 4.7: “Die keuzemogelijkheid zou (…) bij zakelijke verhoudingen aan een niet-gelieerde afnemer niet zijn geboden. Het voordeel vindt derhalve zijn oorsprong in een bewuste bevoordeling door toedoen van (via) aandeelhouder als zodanig”), uit HR
BNB2004/265 [24] (zie 4.8: “Indien (…) het prijsgeven zelf van dat recht slechts kan worden aangemerkt als een handelen van de aandeelhouder als zodanig, is sprake van een handelen in de kapitaalsfeer, hetgeen meebrengt dat het prijsgeven en de gevolgen daarvan geen invloed hebben op de fiscale winst”) en uit HR
BNB2013/109 (zie 4.5: “(…) dat het aanvaarden door de vennootschap van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schulden van die andere vennootschappen zijn oorzaak vindt in de vennootschapsrechtelijke betrekkingen tussen die vennootschap en die andere vennootschappen. (…) Het hiervoor (…) overwogene leidt tot de gevolgtrekking dat uitgaven van een vennootschap die hun oorsprong vinden in een aansprakelijkstelling als hiervoor omschreven bij de winstbepaling van die vennootschap buiten aanmerking blijven”).
BNB2015/13 (zie 4.9) “beslissend of een (niet van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden”.
Alsu bent om gegaan, is dat nogal impliciet gebeurd (verstopt in een verwijzingsopdracht) en zou explicitering en motivering wenselijk zijn, gegeven het rumoer in de literatuur. Maar ik denk niet dat u om bent gegaan.
temporelesplitsing van de garantie: zij kan dan zakelijk zijn voor zover zij ziet op de leverancierskredieten die een ongelieerde leverancier nog verleend zou hebben, en onzakelijk voor zover zij ziet op de kredieten verstrekt ná het moment waarop een ongelieerde leverancier het voor gezien zou hebben gehouden. Het dossier wijst echter uit dat het volledige litigieuze leverancierskrediet is opgebouwd vóórdat [B] werd ingelijfd op 31 maart 2010, dus per definitie volledig in zakelijke (ongelieerde) verhoudingen.
BNB1996/51 (zie 4.1) en HR
BNB2000/240 (zie 4.2) volgt dat de bewijslast rust op degene die stelt dat een eigen-vermogenstoename niet belast is wegens informele kapitaalverstrekking. In een vermogensvergelijkingssysteem van winstbepaling ligt dat voor de hand. Belanghebbendes eerste middelonderdeel faalt dus.