De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het rijden terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De Hoge Raad onderzoekt in cassatie of het bewijs toereikend is dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte bekend is gemaakt, en of de verdachte daadwerkelijk wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was.
Het hof baseerde de bewezenverklaring op proces-verbalen van staande houdingen, een besluit van het CBR tot ongeldigverklaring en verklaringen van de verdachte. Echter, de Hoge Raad stelt vast dat het besluit tot ongeldigverklaring pas van kracht wordt vanaf de zevende dag na bekendmaking aan de houder, en dat de bewijsmiddelen geen aanwijzingen bevatten dat de verdachte dit besluit daadwerkelijk heeft ontvangen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat het rijbewijs op het moment van het feit ongeldig was verklaard.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat uit de verklaring van de verdachte dat zijn rijbewijs zoek was bij het CBR niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij redelijkerwijs moest weten dat het ongeldig was verklaard. De Hoge Raad benadrukt dat hoge eisen gelden aan de bewezenverklaring van het weten of redelijkerwijs moeten weten van de ongeldigverklaring. Gezien het ontbreken van bewijs van kennis van de verdachte, slaagt het middel en wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling.