Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
fair trial. Deze klacht is nader uitgewerkt met – naar ik begrijp − de stelling dat de wrakingskamer niet op het wrakingsverzoek had mogen beslissen zonder twee gewraakte raadsheren (mr. Warnaar en mr. Backhuijs) te horen over de vraag of zij op de hoogte waren van de onderbouwing die de advocaat van de vrouw bij brief van 11 januari 2018 aan het door hem ingediende uitstelverzoek had gegeven en of zij die onderbouwing hebben kunnen meewegen in hun beslissing van 16 februari 2018 over het door de vrouw ter zitting herhaalde verzoek om uitstel [5] .
fair trial; niet een klacht over schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De enkele klacht dat een wettelijke regel niet in acht is genomen, is volgens vaste rechtspraak onvoldoende voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod [8] . Zo ook leidt de eventuele gegrondbevinding van een klacht over onvoldoende diepgang van het feitenonderzoek niet tot de gevolgtrekking dat de rechter zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Onderdeel 2 heeft betrekking op de diepgang van het feitenonderzoek door de wrakingskamer; niet op de mogelijkheden van de vrouw om in de wrakingsprocedure haar standpunt naar voren te brengen of te reageren op de ingebrachte informatie. Los van de overige klachten lijkt dit middelonderdeel mij niet voldoende voor het doorbreken van het rechtsmiddelenverbod in art. 39 lid 5 Rv Pro.
fair trial, met inbegrip van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, houdt in dat een procespartij in de gelegenheid wordt gesteld haar standpunt ten overstaan van de rechter naar voren te brengen. De procespartij was in dit geval niet de advocaat, maar zijn cliënte. Het enige procedurele verwijt dat het middelonderdeel
aan de wrakingskamermaakt, is dat de wrakingskamer twee gewraakte raadsheren niet heeft opgeroepen en nader aan de tand heeft gevoeld over (de reden van) een eerdere weigering van een uitstelverzoek in de hoofdzaak. Dat betreft weer de diepgang van het feitenonderzoek en lijkt mij niet voldoende voor een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod in art. 39 lid 5 Rv Pro.
van het wrakingsverzoekniet meer kan worden gesproken. Heel welwillend gelezen, komt de klacht van onderdeel 3 erop neer dat de wrakingskamer – door onvoldoende onderzoek in te stellen naar de reden waarom in de hoofdzaak het uitstelverzoek was geweigerd – de vrouw ten onrechte heeft gekortwiekt in haar mogelijkheden om
in de hoofdzaakhaar standpunt te laten bepleiten door de door haar gekozen advocaat. Bij de inhoudelijke bespreking van dit middelonderdeel in paragraaf 3 kom ik hierop terug.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
fair trialheeft geschonden. Voor zover dit middelonderdeel, voor zover al ontvankelijk, het verwijt inhoudt dat de wrakingskamer twee gewraakte raadsheren niet nader heeft gehoord, mist de vrouw belang bij haar klacht, om dezelfde reden als besproken bij de voorgaande middelonderdelen.
fair trialin de wrakingsprocedure oplevert. Ook als het hof in de hoofdprocedure onvoldoende rekening heeft gehouden met de godsdienstige bezwaren van de advocaat van de vrouw, wil dat niet zeggen dat de wrakingskamer – door niet of onvoldoende te toetsen aan art. 9 EVRM Pro – een zo fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het wrakingsverzoek. Ten overvloede teken ik hierbij aan dat het EHRM in 2012 een klacht van een Joodse advocaat over schending van art. 9 EVRM Pro, wegens weigering van diens verzoek om verplaatsing van een zittingsdatum in verband met een religieuze feestdag, ongegrond heeft bevonden (EHRM 3 april 2012 (Sessa/Italië, nr. 28790/08), NJ 2013/498 m.nt. E.A. Alkema).