Conclusie
eerste middelklaagt (1) dat het hof de verzoeken tot het oproepen van de aangevers ten behoeve van fotoconfrontaties en om deze personen te horen als getuige ten onrechte niet, althans onvoldoende, dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen. Daarnaast zou (2) dat het hof de verklaringen van de aangevers tot het bewijs hebben gebezigd terwijl de verdediging het haar in artikel 6 EVRM Pro neergelegde ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. [2]
Onderzoekswensen
de medeverdachten [medeverdachte] (…)
(…)
de aangevers [getuigen 1 t/m 19] .
De medeverdachten
De aangevers
“Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
“2.76.
‘eerder in het bijzijn van verdachte en zijn raadsman, ter terechtzitting van de rechtbank op 8 april 2016 als getuige is gehoord.’Tijdens dat verhoor is de verdediging in staat geweest vragen te stellen aan de getuige en van deze mogelijkheid is door de verdediging gebruik gemaakt. Volgens het hof is van een noodzaak tot het nogmaals horen van de medeverdachte dan ook geen sprake. Dat laatste geldt ook voor het horen van de aangevers. Het hof acht het verzoek tot het horen van de aangevers en het houden van een fotoconfrontatie niet noodzakelijk en
‘onvoldoende onderbouwd’. Daarbij speelt volgens het hof ook
‘een rol de aard van de zaak, de leeftijd van de aangevers en het tijdsverloop in deze zaak’. Dit oordeel geeft, mede gezien hetgeen de verdediging aan die verzoeken ten grondslag heeft gelegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. [10] Ook voor zover het middel klaagt over de afwijzing van de voorwaardelijk gedane verzoeken ten aanzien van de aangevers indien die verklaringen voor het bewijs zouden worden gebezigd, kan het niet slagen. Deze verzoeken zijn niet onderbouwd en het hof overweegt dan ook dat de verdediging dit verzoek gedaan heeft
‘zonder daarbij meer of andere argumenten aan te voeren’en oordeelt dat het horen van de aangevers en het houden van een fotoconfrontatie
‘niet noodzakelijk is’. De eerste deelklacht faalt dan ook.
“Nadere beschouwing
‘de aard van de zaak, de leeftijd van de aangevers en het tijdsverloop van de zaak’. Ik acht dit oordeel niet onbegrijpelijk. Het middel stelt voorts dat de verklaringen wellicht niet als ‘sole’, maar wel als ‘decisive’ moeten worden aangemerkt. De rechtbank overweegt hiertoe in haar door het hof overgenomen gronden onder meer dat ‘
De enkele overeenkomst in de gevolgde werkwijze is […] niet voldoende voor een bewezenverklaring. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat deze babbeltruc een in criminele kringen kennelijk populaire werkwijze is om mensen geld afhandig te maken. Ook het door de aangevers verstrekte signalement van de daders kan, indien het uiterlijk van de verdachten hier past, op zichzelf niet doorslaggevend zijn (…)’en dat
‘de rechtbank alleen die feiten bewezen [heeft] geacht, waarin er telkens ten minste één concreet bewijsmiddel is dat specifiek in de richting van de verdachten leidt, zoals bijvoorbeeld het gegeven dat de telefoons van de daders ten tijde van de diefstal een zendmast in de buurt aanstraalden, het gegeven dat een auto die bij verdachten in gebruik was, onmiddellijk na de diefstal is gezien door aangevers of getuigen, het gegeven dat verdachten dezelfde dag of een dag later substantiële geldstortingen hebben gedaan of anderszins uitgaven hebben gedaan terwijl van een regulier inkomen niet blijkt.’ [15] Uit de hierop volgende (uitgebreide) bewijsmotivering blijkt dat de verklaringen van de aangevers op geen enkel punt ‘decisive’ is geweest voor de bewezenverklaarde feiten. Voor al die feiten is in voldoende mate steunbewijs aanwezig. [16] Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, behoefde het hof dan ook niet uitdrukkelijk te toetsen of aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijk ondervraging van de getuige. Deze maatstaf kan doorslaggevend zijn in die gevallen waarin voldoende steunbewijs ontbreekt. [17] Zoals hiervoor is uiteengezet, is dat in deze zaak echter niet het geval. Samenvattend acht ik het gebruik van de verklaringen van de aangevers voor het bewijs in het licht van hetgeen ik onder randnummer 13 en 14 heb vooropgesteld, alsmede gelet op hetgeen de processtukken blijkens de bewijsvoering inhouden niet in strijd met het ondervragingsrecht in de zin van art. 6 EVRM Pro. Ook de tweede deelklacht faalt.
tweede middelklaagt over de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder over ’s hofs oordeel dat voor de bewezenverklaring gebruik kan worden gemaakt van de constructie van het zogeheten ‘schakelbewijs’.
zich naar de woning van voornoemde [getuige 1] begeven en bij de woning van die [getuige 1] aangebeld en
zich (daarbij) gelegitimeerd als politieambtenaren en (daarbij) een valse politielegitimatie aan voornoemde [getuige 1] getoond en
(vervolgens) tegen die [getuige 1] gezegd dat een aantal buitenlandse criminelen het op zijn spaargeld gemunt had en de indruk gewekt dat een aantal buitenlandse criminelen zijn woning in de gaten hield en hem van zijn spaargeld wilde beroven en
bij die [getuige 1] aangedrongen/gevraagd waar het spaargeld in de woning zou liggen en
tegen die [getuige 1] gezegd -nadat die [getuige 1] had aangegeven zijn spaargeld niet te willen laten zien- dat hij en zijn vrouw (anders) mee moesten naar het politiebureau en
nadat die [getuige 1] hem, verdachte en zijn mededader, voornoemd spaargeld (in blikken) op de zolder van zijn woning had gewezen, voornoemd geldbedrag heeft gepakt/weggenomen;
zich naar de woning van voornoemde [getuige 2] begeven en bij de woning van die [getuige 2] aangebeld en
zich (daarbij) gelegitimeerd als politieambtenaren en (daarbij) een (valse) politielegitimatie aan voornoemde [getuige 2] getoond en
tegen voornoemde [getuige 2] gezegd dat hij, verdachte en zijn mededader, inlichtingen had(den) dat er mogelijk bij 7 adressen - waaronder het adres van [getuige 2] - ingebroken zou gaan worden en
aan die [getuige 2] gevraagd of hij de kluis mocht zien en -nadat die [getuige 2] de kluis had laten zien- gevraagd naar de inhoud van voornoemde kluis waarna die [getuige 2] hem, verdachte en zijn mededader de inhoud van die kluis heeft getoond en waarop verdachte en/of zijn mededader de - inhoud van die - kluis heeft/hebben weggenomen/gepakt;
Enkele inleidende beschouwingen
NJ2017/38, m.nt. T.M. Schalken (overvallen Zeeman en Blokker) waaruit ik citeer (vetgedrukt in het origineel):
‘deze modus operandi een belangrijke overeenkomst tussen de afzonderlijke dossiers [vormt]’, zij onder ogen ziet dat het – kort gezegd - zich voordoen als een politieagent teneinde in die hoedanigheid oudere/ bejaarde personen te benaderen, het van hen willen weten waar en welke waardevolle zaken zij in huis hebben zodat zij die zaken van hen kunnen stelen, een onder criminelen populaire ‘babbeltruc’ is en dat
‘de enkele overeenstemming in de gevolgde werkwijze [..] niet voldoende [is] voor een bewezenverklaring’. Per bewezenverklaard feit heeft de rechtbank derhalve ten minste één concreet bewijsmiddel gebezigd dat ‘
specifiek’in de richting van de verdachte wijst. Hierop volgt een bespreking van de auto’s en de telefoons van de verdachte die in de afzonderlijke zaaksdossiers voorkomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van zendmastgegevens, waarna per feit wordt overwogen waarom het kan worden bewezenverklaard (of waarom de verdachte dient te worden vrijgesproken vanwege de afwezigheid van een bewijsmiddel dat, naast de gelijke modus operandi, zijn directe betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit aantoont). [27] Ter illustratie is ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde (onder meer) overwogen dat uit de aangifte van diefstal door het slachtoffer [getuige 1] op 22 juli 2015 de zojuist genoemde modus operandi kan worden afgeleid en dat hij in die aangifte een met de verdachten overeenkomstig signalement afgeeft. Voorts wordt overwogen dat de telefoon van de verdachte 25 minuten voor de diefstal een mast in Breda heeft aangestraald, dat de verdachte op diezelfde dag een bedrag van € 5.000 op zijn rekening heeft gestort en dat hij op de volgende dag voor € 9.500 een auto heeft gekocht, die hij contant betaalde met biljetten van € 50. Bij de overige bewezenverklaarde feiten is de rechtbank op dezelfde wijze te werk gegaan. Zodoende heeft de rechtbank in haar door het hof overgenomen bewijsvoering de vereisten voor het gebruik van schakelbewijs onder ogen gezien, haar oordeel hieromtrent (uitgebreid) gemotiveerd en per bewezenverklaard feit ten minste één (maar vaak meer) bewijsmiddelen gebezigd die specifiek de betrokkenheid van de verdachte bij dat feit aantoont. Voor zover het middel klaagt dat de daartoe gebezigde bewijsmiddelen slechts toevalligheden betreffen, dan wel te algemeen zijn en niet specifiek op de betrokkenheid van de verdachte wijzen, kan het niet slagen. De in dit kader in het middel opgevoerde zaken zien onder meer op de vaststellingen van de feitenrechter, veronderstelde of ondergeschikte tegenstrijdigheden in de bewijsmiddelen of reeds in de bewijsoverwegingen weerlegde standpunten die de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd. Ik merk in dat verband voorts op dat, zoals onder randnummer 21 is vooropgesteld, in cassatie niet wordt beoordeeld of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld, doch alleen of hij bij zijn onderzoek de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. Dat is m.i. het geval. Datzelfde geldt voor de in het middel geuite klachten ten aanzien van de onder 4 (de voltooide babbeltrucs) bewezenverklaarde feiten. Er wordt onder meer geklaagd dat de signalementen van de verdachte en zijn medeverdachte, de door hun gehuurde auto’s en de (zendmast)gegevens over de door hen gebruikte telefoons in de buurt van de plaatsen delict niet redengevend zijn voor de onder 4 bewezenverklaarde feiten. Echter, uit de gebruikte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen hieromtrent kan als het niet onbegrijpelijke oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle onder 4 bewezenverklaarde ‘babbeltrucs’. Het door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 geeft gezien al het voorgaande dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
derde middelklaagt over het onder 5 bewezenverklaarde witwassen. In het bijzonder staat niet vast dat de gelden waarvan is bewezenverklaard dat zij zijn overgedragen en/of omgezet althans waarvan gebruik is gemaakt, geheel of gedeeltelijk en onmiddellijk dan wel middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, aldus het middel.
“Feit 5: witwassen
“Feit 5 witwassen
‘in ruime mate geld heeft besteed en overgemaakt, terwijl hij geen aantoonbaar, verifieerbaar regulier inkomen had’.Gezien de bewezenverklaarde diefstallen kan het volgens de rechtbank dan ook niet anders dat deze bestedingen zijn bekostigd door de door hemzelf en een mededader gepleegde diefstallen. Verder wordt overwogen dat [betrokkene 3] het geld voor de zojuist genoemde overboeking aan de dochter van de verdachte contant van hem kreeg met het verzoek om het geld over te maken zodat iedere band met de criminele herkomst van dat geld werd doorgesneden. De (contante) aankoop van de auto door de verdachte voor [betrokkene 3] kan volgens de rechtbank voorts worden aangemerkt als “omzetten” als bedoeld in art. 420bis, eerste lid, sub b, Sr. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het contante geld. Die komt er kortgezegd op neer dat hij (contante) inkomsten heeft gegenereerd uit wiet gerelateerde zaken, alsmede contante betalingen voor door hem aangekochte aandelen. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat deze middelen zien op de contante stortingen die de rechtbank bij de bewezenverklaring van de verschillende feiten heeft betrokken. Die verklaring doet zodoende niet af aan hetgeen door de rechtbank is overwogen, aldus het hof. Het door hem overgenomen oordeel van de rechtbank dat zodoende sprake is van witwassen is, gezien al het voorgaande, dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
vierde middelklaagt over het onder 6 bewezenverklaarde, meer in het bijzonder dat het opzettelijk gebruik maken van valse politiepassen/ politielegitimatie als pleger van dat feit niet zonder meer uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan blijken en dat ’s hofs oordeel dat in dit kader gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs onjuist, dan wel onbegrijpelijk is.