Belanghebbende, een politieagent, liep in 1981 en 1986 ernstig letsel op tijdens politiewerkzaamheden. In 2007 werd een tumor vastgesteld, wat leidde tot volledige arbeidsongeschiktheid en ontslag in 2012. De werkgever kende hem in 2012 een netto vergoeding van €15.000 toe ter compensatie van het geleden leed en de stagnatie van zijn loopbaan.
De Staatssecretaris van Financiën stelde dat deze vergoeding als loon moest worden belast, waarop belanghebbende in hoger beroep ging. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de vergoeding niet als loon in de heffing van inkomstenbelasting behoorde te worden betrokken, omdat het een immateriële compensatie betrof die niet als beloningsvoordeel wordt ervaren.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond. Het incidentele beroep van belanghebbende verviel omdat het geen gunstiger resultaat opleverde. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee is duidelijk dat dergelijke immateriële schadevergoedingen niet belastbaar zijn als loon.